Richtsnoeren voor het toezichtsproces
Download PDFEIOPA-BoS-14/179 NL
Richtsnoeren voor het toezichtsproces
Inleiding
- 1.1. Eiopa heeft overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (“Solvabiliteit II”) 1 en artikel 16 van Verordening (EU) 1094/2010 van 24 november 2010 (de “Eiopaverordening”) 2 richtsnoeren voor het toezichtsproces ontwikkeld. Deze richtsnoeren hebben betrekking op artikel 36 van Solvabiliteit II. Andere relevante bepalingen zijn de artikelen 27, 29, 34, 71, 213, lid 2, 248, 249, 250 en 255 van Solvabiliteit II.
- 1.2. Het doel van deze richtsnoeren is te beschrijven op welke wijze binnen het toezichtsproces een op risico gebaseerde, prospectieve en proportionele aanpak van het toezicht kan worden gerealiseerd.
- 1.3. Het toezichtsproces betreft alle activiteiten van de toezichthoudende autoriteit ten behoeve van nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van artikel 36 van Solvabiliteit II, zoals de door haar vastgelegde beoordeling van strategieën, processen en rapportageprocedures in verzekerings- en herverzekeringsondernemingen gericht op naleving van Solvabiliteit II.
- 1.4. Deze richtsnoeren hebben daarom als doel consistente resultaten te verkrijgen door convergentie van de toezichtsprocessen en -praktijken in het kader van het toezichtsproces, waarbij nationale toezichthoudende autoriteiten toch voldoende flexibiliteit houden om hun werkwijze per geval aan te passen en zo rekening te kunnen houden met de specifieke situatie van de desbetreffende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en -groepen, hun eigen markt en andere toezichtsprioriteiten.
- 1.5. Deze richtsnoeren zijn in samenvatting weergegeven in het diagram in de toelichting bij richtsnoer 1 en in het diagram van de richtsnoeren voor het toezichtsproces, dat tegelijkertijd met deze richtsnoeren3 wordt gepubliceerd.
- 1.6. In deze richtsnoeren is ten behoeve van het toezichtsproces van verzekeringsgroepen met een college van toezichthouders rekening gehouden met de richtsnoeren voor het operationeel functioneren van colleges4 , de specifieke coördinatieafspraken van het college en eventuele andere door het college van toezichthouders overeengekomen processen en plannen.
- 1.7. Deze richtsnoeren hebben niet tot doel de groepstoezichthouder en het college van toezichthouders beperkingen op te leggen ten aanzien van aanvullende communicatie of informatie-uitwisseling in overeenstemming met Solvabiliteit II, waaronder de proportionele, op risico gebaseerde aanpak van het toezichtsproces in overeenstemming met artikel 29 van Solvabiliteit II.
1 PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48–83.
2 PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1-155.
3 https://eiopa.europa.eu/publications/eiopa-guidelines/index.html
4 https://eiopa.europa.eu/publications/eiopa-guidelines/index.html
- 1.8. Nationale toezichthoudende autoriteiten die onderdeel zijn van een college, behouden de verantwoordelijkheid het college op de hoogte te houden van en te betrekken bij het toezichtsproces, in het bijzonder op het moment dat er toezichtmaatregelen worden getroffen of wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of -groepen in financiële problemen komen. Waar nodig worden in de toelichting voorbeelden met kruisverwijzingen naar diverse vereisten en richtsnoeren opgenomen. Deze richtsnoeren zijn gericht tot de toezichthoudende autoriteiten in het kader van Solvabiliteit II.
- 1.9. Deze richtsnoeren zijn van toepassing op het toezichtsproces van de nationale toezichthoudende autoriteiten ten aanzien van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, zowel individuele ondernemingen die onder Solvabiliteit II vallen als verzekerings- en herverzekeringsgroepen die uit hoofde van artikel 213, lid 2, onder groepstoezicht vallen (hierna: verzekeringsgroepen). Voor de toepassing van de richtsnoeren op het toezichtsproces van de verzekeringsgroepen geldt het volgende5 :
- richtsnoeren 10, 16, 18, 21, 35, 37 en 40 zijn specifiek voor groepen en gelden alleen voor de groepstoezichthouder, met uitzondering van richtsnoeren 37 en 40, die voor zowel groepstoezichthouders als individuele nationale toezichthoudende autoriteiten kunnen gelden;
- richtsnoeren 15 en 17 gelden alleen voor toezichthoudende autoriteiten voor individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en niet voor toezichthoudende autoriteiten in hun rol als groepstoezichthouder. De groepstoezichthouder past de relevante specifiek voor groepen geldende richtsnoeren 16 en 18 toe;
- richtsnoeren 5, 6, 7, 11, 13, 19, 21, 23, 25, 28, 29, 32, 37, 39 en 40 bevatten bepalingen die alleen gelden als de verzekeringsgroep uit hoofde van artikel 248, lid 2, van Solvabiliteit II over een college van toezichthouders beschikt. Deze bepalingen kunnen gelden voor zowel de groepstoezichthouder als de nationale toezichthoudende autoriteiten van de individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen binnen het college, met uitzondering van richtsnoer 21, dat uitsluitend geldt voor de groepstoezichthouder.
- 1.10. Daar waar sprake is van groepstoezicht op nationaal niveau uit hoofde van artikel 216 van Solvabiliteit II, gelden deze richtsnoeren mutatis mutandis voor beide: groepstoezicht op nationaal niveau uit hoofde van artikel 216 van Solvabiliteit II en groepstoezicht uit hoofde van artikel 213, lid 2, van Solvabiliteit II.
- 1.11. In het kader van deze richtsnoeren gelden de volgende definities:
- Bij toepassing van deze richtsnoeren op groepstoezichthouders:
- o wordt met de term “nationale toezichthoudende autoriteit” de toezichthoudende autoriteit aangeduid die verantwoordelijk is voor groepstoezicht uit hoofde van artikel 247, lid 1, van Solvabiliteit II.
- Bij toepassing van deze richtsnoeren op groepstoezichthouders:
3/14
5 Het aanhangsel bij de toelichting van de openbare raadpleging bevat een tabel met de richtsnoeren die gelden voor een individuele onderneming, groep of beide.
- Bij toepassing van deze richtsnoeren op groepstoezichthouders verwijst de term “verzekerings- en herverzekeringsondernemingen” naar “verzekeringsgroepen” (met uitzondering van richtsnoeren 12, 19, 33, 36 en 38, die naar zowel groepen als ondernemingen binnen de groep verwijzen).
- “Groepstoezichthouder” is de toezichthoudende autoriteit die voldoet aan de in artikel 247, lid 1, van Solvabiliteit II vastgelegde criteria.
- “College” is het college van toezichthouders zoals vastgelegd in artikel 212, lid 1, onder e), van Solvabiliteit II.
- “Leden” en “deelnemers” zijn leden en deelnemers zoals omschreven in de richtsnoeren voor de operationele werking van colleges.
- “Inspectie ter plaatse” is een georganiseerde controle of formele beoordeling ter plaatse bij de desbetreffende onderneming of bij dienstverleners waaraan de onderneming functies heeft uitbesteed. Dit onderzoek mondt uit in de afgifte van een document aan de onderneming.
- 1.12. Termen die niet in deze richtsnoeren worden gedefinieerd, hebben de betekenis die is vastgelegd in de rechtshandelingen die zijn genoemd in de inleiding.
- 1.13. De richtsnoeren zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2016.
Hoofdstuk I – Het toezichtsproces als geheel
Richtsnoer 1 – Uitvoering van het toezichtsproces
1.14. In de uitvoering van het toezichtsproces en rekening houdend met de behoefte aan flexibiliteit en het eigen oordeel ziet de nationale toezichthoudende autoriteit erop toe dat het proces uit drie in deze richtsnoeren omschreven subprocessen bestaat: het risicobeoordelingskader, de gedetailleerde controle en de toezichtmaatregelen.
Richtsnoer 2 – Consistentie van het toezichtsproces
1.15. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat het toezichtsproces door de tijd heen consistent wordt toegepast bij alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en binnen de nationale toezichthoudende autoriteit.
Richtsnoer 3 – Proportionaliteit van het toezichtsproces
1.16. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat het evenredigheidsbeginsel in alle stappen van het toezichtsproces correct wordt toegepast.
Richtsnoer 4 – Eigen oordeel tijdens het toezichtsproces
1.17. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat toezichthouders tijdens elke stap van het toezichtsproces op hun eigen oordeel afgaan. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat het toezichtsproces flexibel genoeg blijft zodat er, waar nodig, ruimte is voor een eigen oordeel.
Richtsnoer 5 – Doorlopende communicatie met verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
- 1.18. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet er ten behoeve van effectief toezicht tijdens het gehele toezichtsproces op toe dat er passende communicatie is tussen medewerkers van de nationale toezichthoudende autoriteit en de verzekerings- en herverzekeringsonderneming.
- 1.19. Als er een college is, wordt de communicatie met de onder toezicht staande onderneming gecoördineerd zoals omschreven in richtsnoer 15 van de richtsnoeren over het operationeel functioneren van colleges.
Richtsnoer 6 – Doorlopende communicatie met en betrokkenheid van andere toezichthouders
- 1.20. De nationale toezichthoudende autoriteit zorgt voor passende communicatie met en betrokkenheid van andere relevante nationale toezichthoudende autoriteiten tijdens het gehele toezichtsproces.
- 1.21. Communicatie met toezichthoudende autoriteiten in derde landen dient in overeenstemming te zijn met eventuele relevante memoranda van overeenstemming dienaangaande.
- 1.22. Als er een college is, dient de communicatie te voldoen aan de relevante voorschriften en richtsnoeren.
Richtsnoer 7 – Meewegen van marktbrede risico’s in het toezichtsproces
- 1.23. De nationale toezichthoudende autoriteit houdt tijdens het gehele toezichtsproces rekening met marktbrede analyses.
- 1.24. Als er een college is, houdt de nationale toezichthoudende autoriteit rekening met de resultaten van alle marktbrede analyses waarvan het college op de hoogte is gesteld.
Richtsnoer 8 – Documentatie
1.25. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat informatie die de conclusies van het toezichtsproces ondersteunen, worden gedocumenteerd en goed toegankelijk zijn voor de nationale toezichthoudende autoriteit, waarbij passende vertrouwelijkheid ten aanzien van die informatie in acht wordt genomen.
Richtsnoer 9 – Governance en periodieke herziening van het toezichtsproces
- 1.26. De nationale toezichthoudende autoriteit beschikt over adequate governanceprocedures voor het bewaken van het toezichtsproces.
- 1.27. De nationale toezichthoudende autoriteit zorgt voor een periodieke herziening van de eigen implementatie van het toezichtsproces om te waarborgen dat deze passend blijft.
Richtsnoer 10 – Reikwijdte en zwaartepunt van het toezichtsproces voor verzekeringsgroepen
-
1.28. De groepstoezichthouder ziet erop toe dat het toezichtsproces volledig aansluit op de reikwijdte en toepassing van groepstoezicht zoals omschreven in Titel III, hoofdstuk 1 van Solvabiliteit II, waarbij rekening wordt gehouden met het type van de uiteindelijke moederonderneming van de verzekeringsgroep, de geografische locatie van het hoofdkantoor (EER of een derde land), de eventuele gelijkwaardigheidsstatus van het derde land en eventuele aspecten van een financieel conglomeraat.
-
1.29. De groepstoezichthouder houdt tijdens het toezichtsproces rekening met alle relevante entiteiten binnen de verzekeringsgroep, waaronder zowel gereguleerde en niet-gereguleerde als EER- en niet-EER-entiteiten.
-
1.30. De groepstoezichthouder richt zich op groepsspecifieke kwesties zoals:
- a) intragroeptransacties, complexiteit en verwevenheid van de verzekeringsgroep;
- b) het risicoprofiel van de groep, met mogelijke diversificatie-effecten, risicoconcentraties en risico-overdracht binnen de verzekeringsgroep;
- c) eventuele overige risico’s vanuit een groepsperspectief, waaronder risico’s op groepsniveau, bijvoorbeeld risico’s voortvloeiend uit nietverzekeringsentiteiten;
- d) aspecten van de governance en strategie van de groep, waaronder (potentiële) belangenverstrengeling;
-
e) aspecten van het risicobeheer van de groep, waaronder eventuele gecentraliseerde riskmanagementfuncties; en
-
f) het beheer van het kapitaal van de groep, zoals overdraagbaarheid en allocatie van kapitaal binnen de verzekeringsgroep.
Hoofdstuk II- Input in het toezichtsproces
Richtsnoer 11 – Input in het toezichtsproces
- 1.31. De nationale toezichthoudende autoriteit houdt tijdens het gehele toezichtsproces rekening met relevante informatie van verschillende bronnen zoals:
- a) de verzekerings- en herverzekeringsonderneming of de verzekeringsgroep: sjablonen voor kwantitatieve rapportage, periodieke toezichtrapporten, rapporten over de solvabiliteit en financiële positie, rapport over eigen risico en solvabiliteit (ORSA-rapport), overige informatie van de onderneming of groep, en eventuele andere informatie waarom de nationale toezichthoudende autoriteit de verzekerings- en herverzekeringsonderneming of de verzekeringsgroep heeft verzocht;
- b) de nationale toezichthoudende autoriteit of de groepstoezichthouder zelf: historische informatie, early warning-indicatoren, risico-indicatoren, eerdere bevindingen ten aanzien van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of groepen, thematische toetsingen en resultaten van stresstests;
- c) het college: individuele resultaten van het risicobeoordelingskader, individuele, binnen het college gedeelde toezichtplannen, collegewerkplannen, en relevante, binnen het college gedeelde analyses, beoordelingen of toezichtmaatregelen;
- d) overige bevoegde autoriteiten;
- e) overige externe partijen: markt- of sectorinformatie, informatie van consumentenorganisaties of brancheorganisaties, technische onderzoeksrapporten, of informatie in de pers of de media.
Hoofdstuk III - Risicobeoordelingskader
Richtsnoer 12 – Structuur en gebruik van het risicobeoordelingskader
-
1.32. De nationale toezichthoudende autoriteit gebruikt een risicobeoordelingskader voor het bepalen en beoordelen van huidige en toekomstige risico’s van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, zoals het vermogen van een verzekerings- en herverzekeringsonderneming om die risico’s te herkennen, meten, volgen en beheren en erover te rapporteren.
-
1.33. De nationale toezichthoudende autoriteit hanteert deze aanpak om:
- a) effectief toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit te oefenen;
- b) toezichtactiviteiten te prioriteren;
-
c) de frequentie van de periodieke toezichtrapportage te bepalen;
-
d) de reikwijdte, diepgang en frequentie van de inspecties ter plaatse en de analyses elders, of eventuele andere voor het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen noodzakelijke zaken te bepalen.
Richtsnoer 13 – Reikwijdte van het risicobeoordelingskader
- 1.34. De nationale toezichthoudende autoriteit hanteert voor het toezicht een op risico gebaseerde, toekomstgerichte aanpak die bestaat uit de volgende stappen:
- a) beoordeling informatie;
- b) bepaling impactclassificatie verzekerings- en herverzekeringsonderneming;
- c) bepaling risico-indeling verzekerings- en herverzekeringsonderneming;
- d) bepaling resultaat risicobeoordelingskader;
- e) formulering toezichtplan en bepaling intensiteit toezicht;
- f) in het geval van verzekeringsgroepen met een overeenkomstig artikel 248, lid 2, van Solvabiliteit II samengesteld college: in voorkomende gevallen de bijdrage van aspecten van het toezichtplan aan het collegewerkplan.
Richtsnoer 14 – Beoordeling van de informatie
1.35. De nationale toezichthoudende autoriteit beoordeelt de haar in periodieke rapportages toegestuurde informatie minimaal op hoog niveau en overweegt daarbij of onderdelen van het risicobeoordelingskader moeten worden herzien.
Richtsnoer 15 – Bepaling van de impactclassificatie van de onderneming
- 1.36. De nationale toezichthoudende autoriteit neemt in het risicobeoordelingskader een beoordeling op van de potentiële impact van alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Deze beoordeling is een weergave van de potentiële impact van een falen van een bepaalde onderneming op polishouders, begunstigden en de markt.
- 1.37. De nationale toezichthoudende autoriteit kent elke onderneming een classificatie van de impact toe op een schaal van 4, waarbij ‘Impactklasse 1’ staat voor de minste impact op polishouders, begunstigden en de markt en ‘Impactklasse 4’ voor de grootste impact op polishouders, begunstigden en de markt.
Richtsnoer 16 – Bepaling van de impactclassificatie van groepen
- 1.38. De groepstoezichthouder neemt in het risicobeoordelingskader voor groepen een impactclassificatie voor alle verzekeringsgroepen op.
- 1.39. De impactclassificatie voor verzekeringsgroepen is een weergave van de potentiële impact van een falen van de verzekeringsgroep, via haar entiteiten, op de polishouders en begunstigden van de groep en op de markten waarin de verzekeringsgroep actief is.
- 1.40. De groepstoezichthouder houdt bij het toekennen van een impactclassificatie rekening met de complexiteit en verwevenheid van de verzekeringsgroep.
1.41. De groepstoezichthouder kent elke verzekeringsgroep een impactclassificatie toe op een schaal van 4, waarbij ‘Impactklasse 1’ staat voor de minste impact op polishouders, begunstigden en de markt en ‘Impactklasse 4’ voor de grootste impact op polishouders, begunstigden en de markt.
Richtsnoer 17 – Bepaling van de risico-indeling van de onderneming
- 1.42. De nationale toezichthoudende autoriteit bepaalt en beoordeelt de huidige en toekomstige risico’s van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, zoals het weerstandsvermogen van de onderneming bij bepaalde gebeurtenissen of veranderingen in de economische omstandigheden en hun mogelijke negatieve effect op de solvabiliteit en financiële positie van de ondernemingen, op hun levensvatbaarheid en op hun vermogen om verplichtingen aan polishouders en begunstigden na te komen zodra de risico’s werkelijkheid worden.
- 1.43. De nationale toezichthoudende autoriteit voert deze risicoanalyse en beoordeling uit voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en houdt hierbij rekening met de voor elke onderneming toepasselijke kwantitatieve en kwalitatieve criteria en maatregelen.
- 1.44. De nationale toezichthoudende autoriteit kent verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een risico-indeling toe op een schaal van 4, waarbij ‘Risicoklasse 1’ betekent dat een onderneming het beste in staat is risico’s te weerstaan en ‘Risicoklasse 4’ dat de onderneming het minst in staat is risico’s te weerstaan zodra deze werkelijkheid worden.
Richtsnoer 18 – Bepaling van de risico-indeling van de verzekeringsgroep
- 1.45. De groepstoezichthouder bepaalt en beoordeelt de huidige en toekomstige risico’s van de verzekeringsgroep, zoals het weerstandsvermogen van de groep bij bepaalde gebeurtenissen of veranderingen in de economische omstandigheden en hun mogelijke negatieve effect op de solvabiliteit en financiële positie van de groep, op de levensvatbaarheid van de groep en op het vermogen van de individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de groep om de verplichtingen aan hun polishouders en begunstigden na te komen wanneer de risico’s werkelijkheid worden
- 1.46. De groepstoezichthouder houdt bij de beoordeling van de risico’s van de verzekeringsgroep rekening met de in richtsnoer 10 omschreven groepsspecifieke kwesties.
- 1.47. De groepstoezichthouder voert deze risicoanalyse en -beoordeling uit voor alle verzekeringsgroepen en houdt hierbij rekening met de voor elke verzekeringsgroep toepasselijke kwantitatieve en kwalitatieve criteria en maatregelen.
- 1.48. De groepstoezichthouder kent elke verzekeringsgroep een risico-indeling toe op een schaal van 4, waarbij ‘Risicoklasse 1’ betekent dat een verzekeringsgroep het beste in staat is risico’s te weerstaan en ‘Risicoklasse 4’ dat de verzekeringsgroep het minst in staat is risico’s te weerstaan zodra deze werkelijkheid worden.
Richtsnoer 19 – Bepaling van het resultaat van het risicobeoordelingskader
- 1.49. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat het resultaat van het risicobeoordelingskader voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en -groepen een al dan niet gecombineerde impactclassificatie en risico-indeling bevat en dat deze samen met andere relevante toezichtinformatie worden gebruikt voor het opstellen van het toezichtplan.
- 1.50. Als er een college is, zijn de groepstoezichthouder en overige toezichthoudende autoriteiten bij uitwisseling van het resultaat van het risicobeoordelingskader (groep en individueel) in staat dat resultaat te motiveren om zo het college in staat te stellen een gemeenschappelijk standpunt ten aanzien van de risico’s van de verzekeringsgroep te vormen.
Richtsnoer 20 – Formulering van het toezichtplan en bepaling van de intensiteit van het toezicht
- 1.51. De nationale toezichthoudende autoriteit gebruikt het resultaat van het risicobeoordelingskader, de details van de vastgestelde risico’s, de diverse prioriteiten en beperkingen van de nationale toezichthoudende autoriteit en overige relevante toezichtinformatie voor de ontwikkeling van het toezichtplan.
- 1.52. Het toezichtplan bevat een beschrijving van de frequentie en intensiteit van de toezichtactiviteiten voor elke onderneming. Het toezichtplan staat in verhouding tot de aard, schaal en complexiteit van de onderneming.
Richtsnoer 21 – Interactie tussen het groepstoezichtplan en het collegewerkplan
- 1.53. Als er een college is, neemt de groepstoezichthouder de relevante aspecten van het groepstoezichtplan op in het collegewerkplan (zoals beschreven in richtsnoer 12 van de richtsnoeren voor het operationeel functioneren van colleges) voor bespreking en actie in het college.
- 1.54. In verband met het groepstoezichtsproces bevat het collegewerkplan:
- a) een beschrijving van de belangrijkste risico’s waarop de nadruk ligt als gevolg van het resultaat van het risicobeoordelingskader van de groep;
- b) een beschrijving en motivering van de activiteiten die op basis van het groepstoezichtplan in het college moeten worden uitgevoerd;
- c) vermelding van de relevante entiteiten binnen de verzekeringsgroep en hun toezichthoudende autoriteiten waarvan de groepstoezichthouder waarschijnlijk input nodig heeft.
Richtsnoer 22 – Governance over het toezichtplan
1.55. De nationale toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat het toezichtplan correct en in overeenstemming is met passend toezicht en de interne governance van de toezichthoudende autoriteit.
Richtsnoer 23 – Kennisgeving van de frequentie van het periodieke toezichtrapport
- 1.56. De nationale toezichthoudende autoriteit stelt de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen op de hoogte van de frequentie van het vereiste periodieke toezichtrapport. Dat kan jaarlijks zijn, maar ook elke twee of drie jaar of anderszins, maar in ieder geval zo spoedig mogelijk doch uiterlijk drie maanden voor het einde van het boekjaar van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
- 1.57. Bij het besluit over de frequentie wordt in ieder geval rekening gehouden met het resultaat van het risicobeoordelingskader, overige toezichtinformatie en het eigen oordeel van de toezichthouders.
- 1.58. Als er een college is, brengen de toezichthoudende autoriteiten zo nodig eerst de groepstoezichthouder op de hoogte van eventuele wijzigingen in de frequentie van het periodieke toezichtrapport voordat de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ervan op de hoogte worden gesteld.
Richtsnoer 24 – Bijwerken van het risicobeoordelingskader
1.59. De nationale toezichthoudende autoriteit overweegt tijdens het toezichtsproces steeds of het noodzakelijk is het resultaat van het risicobeoordelingskader bij te werken.
Hoofdstuk IV - Gedetailleerde controle
Richtsnoer 25 – Activiteiten in het kader van de gedetailleerde controle
- 1.60. De nationale toezichthoudende autoriteit voert op basis van het toezichtplan gedetailleerde controle-activiteiten uit, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante informatie en waarbij de nadruk ligt op de risicogebieden die in het risicobeoordelingskader zijn geïdentificeerd. Die controle-activiteiten bestaan uit inspecties ter plaatse of analyses elders.
- 1.61. Als er een college is, houden de toezichthoudende autoriteiten ook rekening met het collegewerkplan wanneer zij de gedetailleerde controles verrichten met betrekking tot een mogelijke deelname van andere nationale toezichthoudende autoriteiten in overeenstemming met de richtsnoeren voor het operationeel functioneren van colleges.
Richtsnoer 26 – Verzoek om aanvullende informatie tijdens gedetailleerde controle
1.62. De nationale toezichthoudende autoriteit beoordeelt zo nodig de behoefte aan aanvullende informatie van de onderneming, zoals diverse soorten data, analyses of door de onderneming uit te voeren taken. De toezichthoudende autoriteit stelt een zodanige termijn voor het verstrekken van de aanvullende informatie, dat de onderneming in staat is aan het verzoek te voldoen.
Richtsnoer 27 – Conclusies gedetailleerde controle
1.63. De nationale toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat de belangrijkste bevindingen en conclusies van de gedetailleerde controle worden opgeslagen en intern toegankelijk worden gemaakt voor toezichtdoeleinden.
Richtsnoer 28 – Gedetailleerde off-site analyses
1.64. De nationale toezichthoudende autoriteit maakt, zoals omschreven in het toezichtplan en, als er sprake is van een college, rekening houdend met het collegewerkplan, gebruik van off-site analyses om activiteiten te ontplooien die verder strekken dan de beoordeling op hoog niveau van informatie binnen het risicobeoordelingskader, waarbij de nadruk ligt op speciale risicogebieden.
Richtsnoer 29 – Inspecties ter plaatse
1.65. De nationale toezichthoudende autoriteit verricht, indien vastgelegd in het toezichtplan en, als er sprake is van een college, rekening houdend met het collegewerkplan, periodieke inspecties ter plaatse, of zo nodig andere specifieke inspecties ter plaatse.
Richtsnoer 30 – Governance over inspecties ter plaatse
1.66. De nationale toezichthoudende autoriteit beschikt over toereikende governanceprocedures voor het bewaken van de inspecties ter plaatse.
Richtsnoer 31 – Stappen bij inspecties ter plaatse
1.67. De nationale toezichthoudende autoriteit neemt voor inspecties ter plaatse de volgende stappen in overweging: voorbereiding, het eigenlijke onderzoek en schriftelijke conclusies.
Richtsnoer 32 – Schriftelijke conclusies van inspecties ter plaatse
- 1.68. De nationale toezichthoudende autoriteit doet aan de verzekerings- en herverzekeringsonderneming schriftelijk verslag van de conclusies van de inspectie ter plaatse en biedt de onderneming de gelegenheid binnen een redelijke, door de toezichthoudende autoriteit gestelde termijn te reageren. De nationale toezichthoudende autoriteit deelt de conclusies mee aan diegenen die de onderneming feitelijk besturen en in die context daartoe geschikt worden geacht.
- 1.69. Als er andere toezichthoudende autoriteiten bij de inspectie ter plaatse betrokken zijn, dan bespreken de toezichthouders de conclusies voordat ze worden gedeeld met de desbetreffende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die onderdeel vormen van de verzekeringsgroep.
Hoofdstuk V - Toezichtmaatregelen
Richtsnoer 33 – Vaststelling van kwesties voor toezichtmaatregelen
1.70. De nationale toezichthoudende autoriteit stelt op basis van de conclusies van de gedetailleerde controle vast welke mogelijke zwakke punten er zijn, wat de bestaande en potentiële tekortkomingen zijn en op welke punten feitelijk of potentieel niet wordt voldaan aan de vereisten, waardoor zij toezichtmaatregelen moet opleggen.
Richtsnoer 34 – Beoordeling van het belang van zwakke punten, tekortkomingen en niet-naleving
1.71. Ten behoeve van een besluit over op te leggen maatregelen beoordeelt de nationale toezichthoudende autoriteit het belang van de zwakke punten, bestaande en potentiële tekortkomingen en gevallen van niet-naleving, zoals vastgesteld tijdens de gedetailleerde controle.
Richtsnoer 35 – Vaststelling en beoordeling van het belang van zwakke punten, tekortkomingen en niet-naleving op groepsniveau
- 1.72. De groepstoezichthouder stelt op groepsniveau vast welke zwakke punten er zijn, wat de bestaande en potentiële tekortkomingen zijn en op welke punten feitelijk of potentieel niet wordt voldaan aan de vereisten en beoordeelt deze, hierbij rekening houdend met de specifieke kenmerken van de structuur en activiteiten van de verzekeringsgroep en de verwevenheid van de verzekeringsen herverzekeringsgroep.
- 1.73. De groepstoezichthouder bepaalt of de bevindingen ten aanzien van zwakke punten en bestaande of potentiële tekortkomingen of niet-naleving van de vereisten op groepsniveau betrekking hebben op de verzekeringsgroep als geheel of op specifieke verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
Richtsnoer 36 – Verschillende maatregelen voor verschillende situaties
1.74. De nationale toezichthoudende autoriteit treft maatregelen die zijn toegesneden op het belang van de zwakke punten en de bestaande of potentiële tekortkomingen of gevallen van niet-naleving waarvoor de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zich gesteld zien.
Richtsnoer 37 – Besluit over maatregelen op groeps- of individueel niveau
- 1.75. De nationale toezichthoudende autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de relevante verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of, in het geval van maatregelen voor de verzekeringsgroep als geheel, de groepstoezichthouder, treffen op basis van hun analyse van de bevindingen ten aanzien van de zwakke punten, tekortkomingen of gevallen van niet-naleving de nodige maatregelen tegen de desbetreffende onderneming.
- 1.76. Indien maatregelen worden getroffen op zowel groepsniveau als individueel niveau, stemmen de groepstoezichthouder en de toezichthoudende autoriteiten hun maatregelen zo nodig op elkaar af ter verhoging van de doeltreffendheid.
Richtsnoer 38 – Governance over de uitoefening van maatregelen
1.77. De nationale toezichthoudende autoriteit beschikt over een passende governanceprocedure voor het uitoefenen van toezichtmaatregelen, zodat ze consistent, proportioneel en objectief worden gebruikt en correct worden gedocumenteerd.
Richtsnoer 39 – Kennisgeving van maatregelen
1.78. De nationale toezichthoudende autoriteit stelt de onderneming tijdig schriftelijk op de hoogte van de specifieke door de onderneming te treffen maatregelen. Deze kennisgeving bevat zo nodig een specificatie van de termijn waarbinnen
- de onderneming de nodige acties voor naleving van de maatregelen dient te treffen.
- 1.79. Als er een college is en er meer dan één toezichthouder is die maatregelen oplegt, overwegen de toezichthoudende autoriteiten hun communicatiestrategie op elkaar af te stemmen.
Richtsnoer 40 – Communicatie in het college
1.80. Als er een college is, stelt de nationale toezichthoudende autoriteit de groepstoezichthouder zo nodig op de hoogte van de getroffen toezichtmaatregelen
Richtsnoer 41 – Controle op de uitvoering door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
1.81. De nationale toezichthoudende autoriteit controleert of de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de maatregelen correct uitvoeren.
Richtsnoer 42 – Beoordeling van toezichtmaatregelen
1.82. De nationale toezichthoudende autoriteit beoordeelt de uitgevoerde maatregelen en stelt het toezichtplan bij op basis van de mate van doeltreffendheid van de door de onderneming uitgevoerde maatregelen.
Regels inzake naleving en rapportage
- 1.83. Dit document bevat richtsnoeren die zijn uitgebracht overeenkomstig artikel 16 van de Eiopa-verordening. Overeenkomstig artikel 16, lid 3, van deze verordening spannen bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste in om aan richtsnoeren en aanbevelingen te voldoen.
- 1.84. Bevoegde autoriteiten die voldoen of van plan zijn te voldoen aan deze richtsnoeren, dienen deze op een passende manier op te nemen in hun wetgevende of toezichthoudende kader.
- 1.85. Bevoegde autoriteiten bevestigen Eiopa binnen twee maanden na publicatie van de vertaalde versies of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn hieraan te voldoen, of geven redenen voor niet-naleving op.
- 1.86. Indien op deze uiterste datum geen antwoord is ontvangen, zullen de bevoegde autoriteiten worden beschouwd als autoriteiten die niet voldoen aan de rapportageverplichtingen, en als zodanig worden geregistreerd.
Slotbepaling
1.87. Deze richtsnoeren kunnen door Eiopa worden herzien.