Home / Acts & Regulations / Solvency II Guidelines / Richtsnoeren inzake het gebruik van interne modellen

Richtsnoeren inzake het gebruik van interne modellen

Download PDF

EIOPA-BoS-14/180 NL

Richtsnoeren inzake het gebruik van interne modellen

Inleiding

  • 1.1. Ingevolge artikel 16 van Verordening (EU) 1094/2010 van 24 november 2010 (hierna “de Eiopa-verordening”) 1 vaardigt Eiopa aan de toezichthoudende autoriteiten en de verzekerings- of herverzekeringsbedrijven richtsnoeren uit over het gebruik van interne modellen op grond van Richtlijn 2009/138/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van de werkzaamheden van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)2 , met name de artikelen 112, 113, 115, 116, 120 tot en met 126 en 231 zoals verder ontwikkeld in titel I, hoofdstuk VI, en titel II, hoofdstuk II, van de uitvoeringsmaatregelen3 . In deze richtsnoeren wordt ook rekening gehouden met de technische uitvoeringsnormen van Eiopa inzake de goedkeuringsprocessen voor interne modellen en het proces om tot een gezamenlijk besluit te komen over het interne model van een groep4 .
  • 1.2. De Eiopa-richtsnoeren inzake het gebruik van interne modellen zijn bedoeld als leidraad voor toezichthoudende autoriteiten en verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, over waar ze rekening mee moeten houden opdat de toezichthoudende autoriteiten een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen goedkeuren en het gebruik ervan verder kunnen toestaan, en opdat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen gebruiken overeenkomstig de Solvabiliteit II-richtlijn, zoals nader gespecificeerd in de uitvoeringsmaatregelen.
  • 1.3. De richtsnoeren zijn ook bedoeld om de convergentie van de toezichtspraktijken met betrekking tot de beoordeling van interne modellen te verhogen. In het geval van interne modellen voor groepen moet de communicatie goed zijn tussen de toezichthoudende autoriteiten in de colleges, in het bijzonder die tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten.
  • 1.4. De richtsnoeren zijn gericht tot de toezichthoudende autoriteiten in het kader van Solvabiliteit II.
  • 1.5. Alle richtsnoeren gelden, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, voor het gebruik van:
    • een geheel of gedeeltelijk intern model dat wordt ingediend met het oog op het verkrijgen van een besluit tot goedkeuring van het gebruik of dat momenteel gebruikt wordt voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

1 PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48-83.

2 PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1-155.

3 PB L 12 van 17.01.2015, blz. 1-797.

4 https://eiopa.europa.eu/Pages/Supervision/Insurance/draft-implementing-technical-standards-on-thesupervisory-approval-processes-for-solvency-ii.aspx

  • een geheel of gedeeltelijk intern model voor een groep, zoals hieronder nader gedefinieerd, dat wordt ingediend met het oog op het verkrijgen van een besluit tot goedkeuring van het gebruik of dat momenteel gebruikt wordt voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  • 1.6. Deze richtsnoeren zijn vanaf 1 april 2015 van toepassing.
  • 1.7. Voor de toepassing van de richtsnoeren gelden de volgende definities:
    • Intern(e) model(len) voor een groep (of groepen)” moet worden opgevat als zowel een intern model dat uitsluitend wordt gebruikt voor de berekening van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep (op grond van artikel 230 van Solventie II) als een intern model dat wordt gebruikt voor de berekening van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en tevens het solvabiliteitskapitaalvereiste van ten minste één verbonden verzekeringsonderneming die onder het toepassingsgebied valt van dit interne model voor de berekening van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep (intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solventie II).
    • Het begrip “rijkdom van de kansverdelingsprognose” wordt hoofdzakelijk in twee dimensies bepaald: de mate waarin de onderneming kennis heeft over het risicoprofiel zoals dit tot uiting komt in de reeks gebeurtenissen waarop de kansverdelingsprognose gebaseerd is, en de mate waarin de gekozen berekeningsmethode deze informatie kan omzetten in een verdeling van monetaire waarden die gerelateerd zijn aan veranderingen in het kernvermogen. Het concept van rijkdom mag niet gereduceerd worden tot de gedetailleerdheid van de weergave van de kansverdelingsprognose, omdat zelfs een prognose in de vorm van een continue functie een lage rijkdom kan hebben.
    • De “referentierisicomaatstaf” moet worden opgevat als de Value-at-Risk van het kernvermogen met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5% over een periode van één jaar als omschreven in artikel 101, lid 3, van Solvabiliteit II.
    • Analytische gesloten formules” moeten worden opgevat als directe wiskundige formules die de door de onderneming gekozen risicomaatstaf koppelen aan de referentierisicomaatstaf zoals hierboven gedefinieerd.
    • t = 0” moet worden opgevat als de datum waarop de onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van haar interne model.
    • t = 1” moet worden opgevat als één jaar na de datum waarop de onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van haar interne model.

Hoofdstuk 1: Aanvraag

Richtsnoer 1 – Voorafgaande aanvraag

1.8. Toezichthoudende autoriteiten moeten overwegen een proces van voorafgaande aanvraag in te voeren om een beeld te krijgen van hoe voorbereid een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is om een aanvraag voor het gebruik van een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste onder Solvabiliteit II in te dienen en aan de eisen van Solvabiliteit II voor interne modellen te voldoen.

Richtsnoer 2 – Gegevens die moeten worden ingediend bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

  • 1.9. Bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep krachtens artikel 231 van Solvabiliteit II moet de aanvrager voor elke verbonden onderneming die voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste het gebruik van het interne model van de groep aanvraagt, de informatie toevoegen die wordt bedoeld in artikel 2 van de technische uitvoeringsnorm inzake de goedkeuringsprocessen voor interne modellen en die specifiek is voor deze verbonden onderneming, tenzij deze informatie reeds voorkomt in de documenten die door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn ingediend.
  • 1.10. De aanvrager moet voor elke verbonden onderneming die is opgenomen in de aanvraag voor het gebruik van het interne model van de groep voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste, ook uitleggen in welke mate de ontwikkeling, uitvoering of validering van de componenten van het interne model van de groep die noodzakelijk zijn voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden onderneming, worden uitgevoerd door een andere verbonden onderneming binnen de groep.

Richtsnoer 3 – Verzoeken om bijkomende informatie bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep

  • 1.11. Bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep moet een verzoek om bijkomende informatie van een verbonden onderneming door de betrokken toezichthoudende autoriteit (zoals gedefinieerd in artikel 343, lid 2, van de uitvoeringsmaatregelen) die toezicht houdt op deze onderneming, eerst aan de groepstoezichthouder worden gericht. De groepstoezichthouder moet het verzoek vervolgens naar de verbonden onderneming doorsturen of moet de betrokken toezichthoudende autoriteit die om de informatie verzoekt de relevante documenten bezorgen indien deze reeds aan de groepstoezichthouder werden verstrekt.
  • 1.12. Bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II, moet een betrokken toezichthoudende autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 347, lid 3, van de

uitvoeringsmaatregelen, rechtstreeks bijkomende informatie kunnen vragen van de verbonden onderneming waarop ze toezicht houdt, teneinde te kunnen beoordelen of het interne model van de groep conform de eisen voor interne modellen is wat betreft het solvabiliteitskapitaalvereiste van deze verbonden onderneming. In dat geval moet deze betrokken toezichthoudende autoriteit de groepstoezichthouder onmiddellijk van dit verzoek om inlichtingen in kennis stellen.

Richtsnoer 4 – Voornemen om het toepassingsgebied van een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep uit te breiden

  • 1.13. Bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep moet de aanvrager, als onderdeel van de motivering van het toepassingsgebied van het interne model beschreven in artikel 343, lid 5, of artikel 347, lid 6, van de uitvoeringsmaatregelen, in de aanvraag een beschrijving geven van de eventuele bedoeling om in de toekomst het toepassingsgebied van het interne model uit te breiden teneinde, met het oog op de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, een van de verbonden ondernemingen op te nemen die onder het groepstoezicht vallen maar die volgens de huidige aanvraag niet opgenomen zijn in het toepassingsgebied van het interne model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.
  • 1.14. Bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II moet de aanvrager, als onderdeel van de motivering van het toepassingsgebied van het interne model, tevens een beschrijving geven van de eventuele bedoeling om in de toekomst het toepassingsgebied van het interne model uit te breiden tot de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verbonden onderneming die niet onder de huidige aanvraag valt voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste met het interne model van de groep.

Richtsnoer 5 – Technische specificaties bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

  • 1.15. Bij een aanvraag voor het gebruik van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II dient de aanvrager uitdrukkelijk in de aanvraag aan te geven in welke mate de technische specificaties van het interne model van de groep kunnen verschillen wanneer het interne model wordt gebruikt voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep dan wel voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden ondernemingen, met inbegrip van:

    • a) de behandeling van transacties binnen de groep voor de berekening van zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden ondernemingen als in voorkomend geval het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep;
    • b) de lijst van parameters in het interne model die anders kunnen worden vastgesteld voor verschillende berekeningen met het interne model van de
  • groep, met het oog op de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en de berekening van de individuele solvabiliteitskapitaalvereisten; en

  • c) de beschrijving van het specifieke risico van de groep dat alleen relevant is voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

Hoofdstuk 2: Modelwijzigingen

Richtsnoer 6 – Toepassingsgebied van het beleid voor modelwijzigingen

  • 1.16. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient bij de vaststelling van het modelwijzigingsbeleid ervoor te zorgen dat dit beleid alle relevante oorzaken van wijzigingen omvat die een invloed kunnen hebben op haar solvabiliteitskapitaalvereiste, met inbegrip van ten minste de wijzigingen:
    • a) in het governancesysteem van de onderneming;
    • b) in de naleving door de onderneming van de vereisten inzake het gebruik van het interne model;
    • c) in de juistheid van de technische specificaties van het interne model van de onderneming; en
    • d) in het risicoprofiel van de onderneming.
  • 1.17. De onderneming moet er ook voor zorgen dat het modelwijzigingsbeleid:
    • a) aangeeft wanneer een wijziging in het interne model zal worden beschouwd als ingrijpend dan wel klein en wanneer een combinatie van kleine wijzigingen zal worden beschouwd als een ingrijpende wijziging;
    • b) de governancevereisten met betrekking tot wijzigingen in het interne model vaststelt, waaronder de interne goedkeuring, de interne communicatie, de documentatie en de validering van de wijzigingen.
  • 1.18. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming mag de opneming van nieuwe elementen, zoals de opneming van bijkomende risico’s of bedrijfseenheden, niet onderbrengen als onderdeel van de wijzigingen in het interne model op basis van het wijzigingsbeleid voor het interne model. De opneming van nieuwe elementen in het interne model moet worden goedgekeurd door de toezichthoudende autoriteit volgens de procedure beschreven in artikel 7 van de technische uitvoeringsnorm inzake de goedkeuringsprocessen voor interne modellen.
  • 1.19. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de aanpassing van de parameters van het interne model beschouwen als een mogelijke oorzaak voor wijzigingen in het interne model.

Richtsnoer 7 – Definitie van een ingrijpende wijziging

1.20. Hoewel de kwantitatieve impact van een modelwijziging op het solvabiliteitskapitaalvereiste of op individuele componenten van het solvabiliteitskapitaalvereiste een van de indicatoren kan zijn die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voornemens is te gebruiken om wijzigingen als ingrijpend aan te merken, moet de onderneming een aantal andere belangrijke kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren ontwikkelen en gebruiken om een ingrijpende wijziging te definiëren.

Richtsnoer 8 – Rapportage van kleine en ingrijpende wijzigingen als een combinatie van kleine wijzigingen

  • 1.21. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet kleine wijzigingen in het interne model driemaandelijks of indien noodzakelijk vaker melden aan de toezichthoudende autoriteiten. Kleine wijzigingen in het interne model moeten worden meegedeeld in een beknopt verslag, waarin zowel een beschrijving moet worden gegeven van de kwantitatieve en kwalitatieve impact van wijzigingen als van de geschatte cumulatieve kwantitatieve en kwalitatieve impact van de wijzigingen op het goedgekeurde interne model.
  • 1.22. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet het meest recente interne model, dat is goedgekeurd door de toezichthoudende autoriteiten, gebruiken als referentie om te beoordelen of een combinatie van kleine wijzigingen wordt beschouwd als een ingrijpende wijziging, tenzij anders met de toezichthoudende autoriteiten overeengekomen.

Richtsnoer 9 – Modelwijzigingsbeleid voor het interne model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

  • 1.23. In het geval van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II moeten de deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen die voor de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste het gebruik van een intern model van de groep aanvragen, een beleid voor wijziging van het model ontwikkelen.
  • 1.24. De deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen die voor de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste het gebruik van een intern model van de groep aanvragen , moeten ervoor zorgen dat het wijzigingsbeleid van het model ingrijpende en kleine wijzigingen met betrekking tot de groep specificeert, alsook elke verbonden onderneming die is opgenomen in het verzoek om gebruik te mogen maken van het interne model van de groep voor de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste.
  • 1.25. De deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen die voor de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste het gebruik van een intern model van de groep aanvragen, moeten ervoor zorgen dat de wijzigingen die ingrijpend zijn voor een verbonden onderneming die in de aanvraag is opgenomen, in het beleid worden geclassificeerd als ingrijpende wijzigingen.

Richtsnoer 10 – Uitbreiding van het gebruik en uitbreiding van het toepassingsgebied van het interne model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

  • 1.26. De volgende uitbreidingen van het interne model van een groep moeten door de aanvrager bij de groepstoezichthouder worden ingediend, waarbij dezelfde procedure moet worden gevolgd als voor een ingrijpende wijziging in het interne model overeenkomstig artikel 7 van de technische uitvoeringsnormen van Eiopa inzake de goedkeuringsprocessen voor interne modellen:
    • a) een uitbreiding voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verbonden onderneming die momenteel in het toepassingsgebied van het interne model van de groep is opgenomen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep maar die momenteel geen gebruikmaakt van het interne model van de groep voor de berekening van haar eigen solvabiliteitskapitaalvereiste;
    • b) een uitbreiding om nieuwe elementen op groepsniveau te dekken; en
    • c) een uitbreiding om nieuwe elementen te dekken voor een verbonden onderneming die momenteel gebruikmaakt van het interne model voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste, waaronder een uitbreiding in verband met elementen die al op het niveau van de groep of van andere verbonden ondernemingen worden gebruikt.

Hoofdstuk 3: Gebruikstest

Richtsnoer 11 – Stimulans om de kwaliteit van het interne model te verbeteren

1.27. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat het interne model wordt gebruikt in haar risicobeheersysteem en besluitvormingsprocessen, zodat er stimulansen gecreëerd worden om de kwaliteit van het interne model zelf te verbeteren.

Richtsnoer 12 – Gebruikstest en wijzigingen aan het interne model

  • 1.28. In het kwaliteitsverbeteringsproces van het interne model moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, indien een ingrijpende wijziging intern is goedgekeurd door het administratieve, leidinggevende of toezichthoudende orgaan, kunnen aantonen dat voldaan is aan de gebruikstest, rekening houdend met:
    • a) de verschillende onderdelen van de gebruikstest;
    • b) de verschillende toepassingen van het governancesysteem.
  • 1.29. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet controleren en kunnen aantonen dat het tijdsverschil tussen de vaststelling van de noodzaak van een wijziging in het interne model en de implementatie van de wijziging gepast is. Bij een aanvraag voor een ingrijpende wijziging tijdens de goedkeuringsperiode

moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ervoor zorgen dat het gebruik van het interne model in haar besluitvormingsproces gepast is.

Richtsnoer 13 – Inzicht in het interne model

  • 1.30. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet verschillende benaderingen bekijken om ervoor te zorgen dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan en de bevoegde gebruikers van het interne model het interne model begrijpen voor beslissingsdoeleinden.
  • 1.31. Om te kunnen beoordelen of het interne model begrepen wordt, moeten de toezichthoudende autoriteiten overwegen om personen uit het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan en personen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming feitelijk besturen, te bevragen.
  • 1.32. Toezichthoudende autoriteiten moeten tevens de documentatie van de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur of gepaste besluitvormingsorganen analyseren en beoordelen of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de gebruikstestvereisten voldoet.

Richtsnoer 14 – Ondersteuning van de besluitvorming

  • 1.33. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen en moet kunnen aantonen dat het interne model gebruikt wordt voor besluitvorming.
  • 1.34. In het bijzonder bij de berekening van het theoretische solvabiliteitskapitaalvereiste voor een afgezonderd fonds moet de verzekeringsof herverzekeringsonderneming artikel 81 van de uitvoeringsmaatregelen naleven en toelichten hoe zij de consistentie tussen deze outputs waarborgt overeenkomstig artikel 223 van de uitvoeringsmaatregelen.

Richtsnoer 15 – Specifieke kenmerken van de gebruikstest voor het interne model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

  • 1.35. De deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen die voor de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste het gebruik van een intern model van de groep aanvragen overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II, moeten ervoor zorgen dat het ontwerp van het interne model bij hun bedrijfsactiviteiten aansluit. Ze moeten bewijzen dat de governance van het interne model ervoor zorgt dat:

    • a) hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste zo vaak berekend wordt als vereist volgens artikel 102 van Solventie II en wanneer noodzakelijk in het besluitvormingsproces;
    • b) ze wijzigingen aan het interne model van de groep kunnen voorstellen, in het bijzonder voor onderdelen die van materieel belang voor hen zijn of ingevolge een wijziging in hun risicoprofiel en rekening houdend met de omgeving waarin de onderneming actief is;
  • c) de verbonden ondernemingen het interne model goed begrijpen, met name de onderdelen van het interne model die de risico’s van die onderneming dekken.

  • 1.36. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die voor de berekening van hun individuele solvabiliteitskapitaalvereiste het gebruik van een intern model van de groep aanvragen, moeten ervoor zorgen dat het interne model is afgestemd op hun bedrijfsactiviteiten en hun risicobeheersysteem, waaronder de levering van outputs, op groepsniveau en op het niveau van de betrokken onderneming, die voldoende gedetailleerd zijn om het interne model van de groep een voldoende rol te laten spelen in hun besluitvormingsproces.

Hoofdstuk 4: Vaststelling van aannames en deskundig advies

Richtsnoer 16 – Materialiteit van aannames

  • 1.37. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet aannames vaststellen en deskundig advies gebruiken, in het bijzonder rekening houdend met de materialiteit van de impact van het gebruik van aannames met betrekking tot de volgende richtsnoeren over vaststelling van aannames en deskundig advies.
  • 1.38. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de materialiteit bepalen rekening houdend met zowel de kwantitatieve als kwalitatieve indicatoren, evenals met omstandigheden waarin extreme verliezen kunnen optreden. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de in aanmerking genomen indicatoren in hun totaliteit evalueren.

Richtlijn 17 – Governance van de vaststelling van aannames

  • 1.39. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de vaststelling van aannames en met name het gebruik van deskundig advies volgens een gevalideerd en gedocumenteerd proces verlopen.
  • 1.40. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de aannames in de loop van de tijd in heel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming consistent worden ontwikkeld en gebruikt en dat ze geschikt zijn voor hun beoogde doel.
  • 1.41. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de aannames afhankelijk van hun materialiteit op het gepaste managementniveau laten goedkeuren, voor de meest materiële aannames tot en met inbegrip van het niveau van het besturend, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan.

Richtsnoer 18 – Communicatie en onzekerheid bij vaststelling van aannames

1.42. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat bij de processen voor aannames, en met name voor het gebruik van deskundig advies bij het bepalen van dergelijke aannames, getracht wordt het risico op misverstanden of miscommunicatie tussen verschillende functies in verband met dergelijke aannames te beperken.

  • 1.43. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet zorgen voor een formeel en gedocumenteerd feedbackproces tussen de verstrekkers en gebruikers van materieel deskundig advies en de daaruit voortvloeiende aannames.
  • 1.44. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet zorgen voor transparantie met betrekking tot de onzekerheid van de aannames en de bijbehorende variatie in de definitieve resultaten.

Richtsnoer 19 – Documentatie van de vaststelling van aannames

  • 1.45. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet het proces voor de vaststelling van aannames, en met name het gebruik van deskundig advies, transparant documenteren.
  • 1.46. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet in de documentatie de resulterende aannames en hun materialiteit, de betrokken deskundigen, het voorgenomen gebruik en de geldigheidsduur opnemen.
  • 1.47. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de achterliggende redenen voor de opinie toevoegen – waaronder de gebruikte informatiebronnen – en wel op een zodanig gedetailleerde wijze dat de aannames, het proces en de criteria voor de selectie van de aannames en het terzijde schuiven van de overige alternatieven transparant zijn.
  • 1.48. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat gebruikers van materiële aannames duidelijke en uitvoerige schriftelijke informatie over deze aannames krijgen.

Richtsnoer 20 – Validering van de vaststelling van aannames

  • 1.49. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat het proces voor de selectie van de aannames en het gebruik van deskundig advies gevalideerd is.
  • 1.50. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat het proces en de instrumenten voor het valideren van de aannames en met name het gebruik van deskundig advies worden gedocumenteerd.
  • 1.51. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de wijzigingen van materiële aannames ten gevolge van nieuwe informatie bijhouden en deze veranderingen en afwijkingen van materiële aannames analyseren en toelichten.
  • 1.52. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet, indien haalbaar en passend, valideringsinstrumenten zoals stress- of gevoeligheidstests gebruiken.
  • 1.53. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de gekozen aannames evalueren op basis van onafhankelijke interne of externe expertise.
  • 1.54. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet omstandigheden detecteren waarin de aannames als onjuist zouden worden beschouwd.

Hoofdstuk 5: Methodologische consistentie

Richtsnoer 21 – Controlepunten voor de consistentie

  • 1.55. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet zorgen voor consistentie tussen de methoden die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose en de methoden voor de waardering van de activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden.
  • 1.56. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de consistentie controleren in de volgende stappen van de berekening van de kansverdelingsprognose, in zoverre ze relevant zijn voor de te beoordelen modelcomponent:
    • a) de consistentie in de overgang van de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden naar het interne model voor de berekening van de solvabiliteitskapitaalvereisten;
    • b) de consistentie tussen de waardering van activa en passiva in het interne model op de waarderingsdatum en de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden;
    • c) de consistentie tussen enerzijds de prognose van de risicofactoren en hun impact op de verwachte monetaire waarden, en anderzijds de aannames voor deze risicofactoren gebruikt voor de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden;
    • d) de consistentie tussen de herwaardering van activa en passiva aan het einde van de periode en de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden.

Richtsnoer 22 – Consistentieaspecten

  • 1.57. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet bij de beoordeling van de consistentie ten minste rekening houden met de volgende aspecten:
    • a) de consistentie van de actuariële en statistische technieken die worden toegepast bij de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden en bij de berekening van de kansverdelingsprognose;
    • b) de consistentie van de gegevens en parameters die worden gebruikt als input voor de desbetreffende berekeningen;
    • c) de consistentie van de aannames waarop de desbetreffende berekeningen gebaseerd zijn, in het bijzonder aannames over de contractuele opties en financiële garanties, over toekomstige beheeractiviteiten en over verwachte toekomstige discretionaire uitkeringen.

Richtsnoer 23 – Consistentiebeoordeling

  • 1.58. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient periodieke consistentiebeoordelingen op kwantitatieve basis uit te voeren, wanneer mogelijk en wanneer dat in verhouding staat tot het beoogde doel.
  • 1.59. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet bij de consistentiebeoordeling:
    • a) elke afwijking tussen de berekening van de kansverdelingsprognose en de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden identificeren en documenteren;
    • b) zowel het afzonderlijke als het gecombineerde effect van de afwijkingen beoordelen;
    • c) rechtvaardigen dat de afwijkingen niet zullen resulteren in een inconsistentie tussen de berekening van de kansverdelingsprognose en de waardering van activa en passiva in de balans voor solvabiliteitsdoeleinden.

Hoofdstuk 6: Kansverdelingsprognose

Richtsnoer 24 – Kennis van het risicoprofiel

  • 1.60. Om ervoor te zorgen dat de reeks van gebeurtenissen inzake de kansverdelingsprognose volledig is, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming processen instellen waarmee ze een toereikende en actuele kennis van haar risicoprofiel kan behouden.
  • 1.61. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet trachten de kennis te handhaven van de risicofactoren en andere factoren die het gedrag verklaren van de variabele die ten grondslag ligt van de kansverdelingsprognose, zodat de kansverdelingsprognose alle relevante kenmerken van haar risicoprofiel kan weergeven.

Richtsnoer 25 – Rijkdom van de kansverdelingsprognose

  • 1.62. Bij de beoordeling van de geschiktheid van de actuariële en statistische technieken gebruikt om de kansverdelingsprognose te berekenen [artikel 229 van de uitvoeringsmaatregelen], moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het vermogen van de technieken ter verwerking van de kennis van het risicoprofiel als belangrijk criterium beschouwen.
  • 1.63. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet technieken kiezen die een kansverdelingsprognose genereren die rijk genoeg is om overeenkomstig artikel 229, onder e), van de uitvoeringsmaatregelen alle relevante kenmerken van haar risicoprofiel te bevatten en overeenkomstig artikel 226 van de uitvoeringsmaatregelen de besluitvorming te ondersteunen.
  • 1.64. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient, volgens artikel 229, onderg), van de uitvoeringsmaatregelen en in het kader van deze methodologische beoordeling, de betrouwbaarheid in aanmerking te nemen van de ongunstige kwantielen, gebaseerd op de kansverdelingsprognose.

Richtsnoer 26 – Beoordeling van de rijkdom van de kansverdelingsprognose

  • 1.65. Om een beeld te vormen volgens richtsnoer 25, moeten toezichthoudende autoriteiten ten minste rekening houden met:
    • a) het risicoprofiel van de onderneming en in welke mate dit wordt weerspiegeld door de kansverdelingsprognose;
    • b) de huidige stand van zaken in de actuariële wetenschap en in de vaste marktpraktijk overeenkomstig artikel 229, onder a), van de uitvoeringsmaatregelen;
    • c) met betrekking tot het niveau van rijkdom van de kansverdelingsprognose, alle maatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming inzet om de naleving te garanderen van elk van de tests en normen van het interne model zoals bepaald in de artikelen 120 tot en met 126 van Solvabiliteit II;
    • d) voor een bijzondere risicobeschouwing, de manier waarop de door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gekozen technieken en bekomen kansverdelingsprognose inwerken op andere risico’s in het kader van het interne model met betrekking tot het niveau van rijkdom van de kansverdelingsprognose overeenkomstig artikel 232 van de uitvoeringsmaatregelen;
    • e) de aard, omvang en complexiteit van het betreffende risico overeenkomstig artikel 29, lid 3, van Solvabiliteit II.

Richtsnoer 27 – Rijkdom van de kansverdelingsprognose

  • 1.66. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de inspanningen voor het genereren van een rijke kansverdelingsprognose geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de inschatting van ongunstige kwantielen die voortvloeien uit de kansverdelingsprognose.
  • 1.67. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat ze in de kansverdelingsprognose geen ongegronde rijkdom introduceert die geen weerspiegeling is van de oorspronkelijke kennis van haar risicoprofiel (zie ook richtsnoer 24).
  • 1.68. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de methode die werd gevolgd voor de verrijking van de kansverdelingsprognose voldoet aan de statistische kwaliteitsnormen voor methoden, aannames en gegevens overeenkomstig de artikelen 229, 230 en 231 van de uitvoeringsmaatregelen. Wanneer bij deze technieken deskundig advies wordt gebruikt, moet de onderneming rekening houden met de relevante richtsnoeren inzake vaststelling van aannames en deskundig advies.

Hoofdstuk 7: Kalibratie – benaderingen

Richtsnoer 28 – Kennis van benaderingen onder extreme verliesomstandigheden

  • 1.69. Wanneer een onderneming benaderingen gebruikt in plaats van rechtstreeks gebruik te maken van de referentierisicomaatstaf, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de betrouwbaarheid van de output van deze benaderingen in de tijd en onder extreme verliesomstandigheden, overeenkomstig haar risicoprofiel, op de proef stellen en rechtvaardigen.
  • 1.70. In het bijzonder wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gebruikmaakt van analytische gesloten formules om haar kapitaalvereiste te herijken van de interne risicomaatstaf naar de referentierisicomaatstaf, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aantonen dat de aannames waarop de formules gebaseerd zijn, realistisch zijn en ook onder extreme verliesomstandigheden gelden.

Richtsnoer 29 – Gebruik van een andere onderliggende variabele

  • 1.71. Als de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ter afleiding van de waarde van het kernvermogen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste gebruikmaakt van de variatie van een onderliggende variabele die verschilt van het kernvermogen, moet zij aantonen dat:
    • a) zij het verschil kan verklaren tussen het kernvermogen en de onderliggende variabele op het moment t= 0;
    • b) zij het verschil begrijpt tussen het kernvermogen en de onderliggende variabele in iedere situatie tot aan en met inbegrip van het moment t= 1, en met name onder extreme verliesomstandigheden, in overeenstemming met het risicoprofiel van de onderneming.

Richtsnoer 30 – Beheersmaatregelen in geval van een periode van meer dan één jaar

1.72. Als de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in haar interne model voor een periode van meer dan één jaar kiest, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming beheersmaatregelen in aanmerking nemen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, en moet zij ervoor zorgen dat dergelijke beheersmaatregelen invloed hebben op de balans voor solvabiliteitsdoeleinden tussen de momenten t= 0 en t= 1.

Hoofdstuk 8: Toeschrijving van winsten en verliezen

Richtsnoer 31 – Definitie van winsten en verliezen

  • 1.73. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet winsten en verliezen beschouwen als veranderingen, gedurende de betreffende periode, in:

    • a) het kernvermogen; of
  • b) andere monetaire bedragen die in het interne model gebruikt worden om veranderingen in het kernvermogen te bepalen, zoals de feitelijke verandering in economische kapitaalbronnen.

  • Daartoe moeten in de toeschrijving van winsten en verliezen bewegingen worden uitgesloten die zijn toe te schrijven aan het aantrekken van aanvullend kernvermogen, de terugbetaling of de aflossing van het kernvermogen en de verdeling van het kernvermogen.

  • 1.74. Wanneer in het interne model gebruikgemaakt wordt van een variabele die niet het kernvermogen is, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deze variabele gebruiken voor de toeschrijving van winsten en verliezen.

  • 1.75. De onderneming moet via de toeschrijving van de winsten en verliezen duidelijk maken hoe veranderingen in de risicofactoren verband houden met de beweging in de onderliggende variabele van de kansverdelingsprognose.

Hoofdstuk 9: Validering

Richtsnoer 32 – Valideringsbeleid en valideringsverslag

  • 1.76. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet een schriftelijk valideringsbeleid vaststellen, uitvoeren en handhaven waarin minstens het volgende gespecificeerd wordt:
    • a) de processen en methodes om het interne model te valideren en de doelstellingen ervan;
    • b) de frequentie van de gewone validering voor elk deel van het interne model en de omstandigheden die aanleiding geven tot een bijkomende validering;
    • c) de personen die verantwoordelijk zijn voor elke valideringstaak; en
    • d) de procedure die moet worden gevolgd indien tijdens het modelvalideringsproces problemen worden geconstateerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van het interne model, evenals het besluitvormingsproces om deze problemen te ondervangen.
  • 1.77. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet in een valideringsverslag de resultaten van de validering, evenals de conclusies en gevolgen die uit de analyse van de validering voortvloeien, documenteren.
  • 1.78. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet in de validering een verwijzing naar de valideringsgegevensbestanden zoals vermeld in richtsnoer 42 opnemen, alsook de goedkeuring van de belangrijkste deelnemers in het proces.

Richtsnoer 33 – Toepassingsgebied en doel van het valideringsproces

1.79. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet bij de vaststelling van het doel van de validering duidelijk het specifieke doel van de validering voor elk deel van het interne model opnemen.

  • 1.80. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve aspecten van het interne model binnen het toepassingsgebied van de validering dekken.
  • 1.81. Bij het in aanmerking nemen van het toepassingsgebied van de validering moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naast de validering van de verschillende onderdelen van het interne model, de validering in zijn geheel en met name de deugdelijkheid van de berekende kansverdelingsprognose in aanmerking nemen om te waarborgen dat de omvang van het wettelijk voorgeschreven kapitaal niet materieel verkeerd wordt weergegeven.

Richtsnoer 34 – Materialiteit in validering

  • 1.82. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de materialiteit van het gevalideerde gedeelte van het interne model in aanmerking nemen, wanneer gebruikgemaakt wordt van de materialiteit om te beslissen over de intensiteit van de valideringsactiviteiten.
  • 1.83. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de materialiteit van de delen van het interne model niet alleen afzonderlijk in aanmerking nemen maar ook in combinatie, wanneer zij beslist over hoe deze op passende wijze moeten worden gevalideerd.
  • 1.84. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de gevoeligheidstests in aanmerking nemen bij het bepalen van de materialiteit in het kader van de validering.

Richtsnoer 35 – Kwaliteit van het valideringsproces

  • 1.85. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet alle gekende beperkingen van het huidige valideringsproces documenteren.
  • 1.86. Indien er sprake is van beperkingen bij de validering van onderdelen die onder het valideringsproces vallen, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zich daarvan bewust zijn en deze beperkingen documenteren.
  • 1.87. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat in de beoordeling van de kwaliteit van het valideringsproces uitdrukkelijk gemeld wordt onder welke omstandigheden de validering niet effectief is geweest.

Richtsnoer 36 – Governance van het valideringsproces

  • 1.88. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet een passende governance instellen voor de communicatie en interne rapportage van de resultaten van de verrichte valideringen.

  • 1.89. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet intern een algemene opinie vormen en meedelen op basis van de bevindingen van het valideringsproces.

  • 1.90. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet vooraf criteria vaststellen om te bepalen of de resultaten van de validering, of een deel ervan, binnen de onderneming op een hoger plan moeten worden getrokken.

  • 1.91. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet dit proces van op een hoger plan trekken duidelijk omschrijven, zodat het valideringsproces onafhankelijk van de ontwikkeling en werking van het interne model blijft.

Richtsnoer 37 – Functies in het valideringsproces

  • 1.92. Indien andere partijen dan de Risk managementfunctie specifieke taken in het valideringsproces uitvoeren, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ervoor zorgen dat de Risk managementfunctie voldoet aan de overkoepelende verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 44 van Solvabiliteit II en artikel 269, lid 2, onder a), van de uitvoeringsmaatregelen, waaronder de verantwoordelijkheid voor de voltooiing van de verschillende taken binnen het valideringsproces.
  • 1.93. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de rol van elke in het valideringsproces gedefinieerde partij formeel toelichten.

Richtsnoer 38 – Onafhankelijkheid van het valideringsproces

  • 1.94. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet aantonen dat haar risicobeheersfunctie ervoor zorgt dat het valideringsproces onafhankelijk van de ontwikkeling en werking van het interne model gebeurt, zodat er een objectieve toetsing is van het model. De risicobeheersfunctie van de onderneming moet ervoor zorgen dat de valideringstaken zo worden vastgelegd en uitgevoerd dat de onafhankelijkheid van het valideringsproces wordt gecreëerd en gehandhaafd zoals vastgesteld in artikel 241, lid 2, van de uitvoeringsmaatregelen.
  • 1.95. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet beslissen welke partijen de taken in verband met het valideringsproces mee uitvoeren, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die deze onderneming ondervindt, de rol en de vaardigheden van de mensen die hierbij betrokken moeten worden, en hoe daarmee de onafhankelijkheid van het valideringsproces wordt gegarandeerd.

Richtsnoer 39 – Specificiteit van de validering van interne modellen van groepen overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

  • 1.96. De deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen die zijn opgenomen in het verzoek om voor de berekening van hun solvabiliteitskapitaalvereiste gebruik te mogen maken van het interne model van de groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II, moeten één valideringsbeleid bepalen dat het valideringsproces zowel op groepsniveau als op het niveau van de afzonderlijke ondernemingen omvat.
  • 1.97. De deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen moeten het valideringsproces van het interne model ontwerpen voor de berekening van

zowel het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden ondernemingen die zijn opgenomen in het verzoek tot het gebruik van een intern model van de groep. De deelnemende onderneming en de verbonden ondernemingen moeten dit element uitdrukkelijk in het valideringsbeleid vermelden dat wordt vastgesteld voor het interne model van de groep.

Richtsnoer 40 – Toepassing van valideringsinstrumenten

  • 1.98. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet overwegen om kwantitatieve of kwalitatieve valideringsinstrumenten te gebruiken buiten die welke bedoeld zijn in artikel 242 van de uitvoeringsmaatregelen.
  • 1.99. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de valideringsinstrumenten die ze gebruikt begrijpen en moet de geschikte valideringsinstrumenten kiezen om een doeltreffend valideringsproces te waarborgen. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ten minste de volgende kenmerken in aanmerking nemen bij de keuze van de valideringsinstrumenten:
    • a) kenmerken en beperkingen van de valideringsinstrumenten;
    • b) aard: kwalitatieve valideringsinstrumenten, kwantitatieve valideringsinstrumenten of een combinatie van beide;
    • c) vereiste kennis: de kennis waarover personen moeten beschikken die de validering uitvoeren;
    • d) vereiste informatie: mogelijke beperkingen aan de hoeveelheid of het soort informatie dat beschikbaar is voor een externe versus een interne validering;
    • e) valideringscyclus: valideringsinstrumenten die relevant zijn om elke essentiële aanname die in de verschillende stadia van het interne model – van de ontwikkeling tot de uitvoering en werking – gemaakt wordt, te bestrijken.
  • 1.100.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet in het valideringsverslag aangeven welke delen van het interne model door welke valideringsinstrumenten worden gevalideerd en waarom deze valideringsinstrumenten geschikt zijn voor het betreffende doel, door minstens het volgende te beschrijven:
    • a) de materialiteit van het gevalideerde deel van het model;
    • b) het niveau waarop het instrument wordt toegepast, variërend van individuele risico’s, modelleringsblokken, portefeuilles en bedrijfsonderdelen tot geaggregeerde resultaten;
    • c) het doel van deze valideringstaak;
    • d) de verwachte resultaten van de validering.

Richtsnoer 41 – Stresstests en scenarioanalyse

  • 1.101.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet stresstests en scenarioanalyses gebruiken voor de validering van het interne model.
  • 1.102.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de gebruikte stresstests en scenarioanalyses de relevante risico’s dekken en dat ze in de loop der tijd worden gecontroleerd.

Richtsnoer 42 – Valideringsgegevensbestanden

1.103.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de geselecteerde gegevens en het deskundig advies die in het valideringsproces worden gebruikt, haar daadwerkelijk in staat stellen het interne model te valideren in uiteenlopende omstandigheden die zich in het verleden hebben voorgedaan of die in de toekomst zouden kunnen voorkomen.

Hoofdstuk 10: Documentatie

Richtsnoer 43 – Controleprocedures voor documentatie

  • 1.104.Om een voortdurende documentatiekwaliteit te kunnen waarborgen in overeenstemming met artikel 243, lid 3, van de uitvoeringsmaatregelen, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten minste het volgende hebben ingesteld:
    • a) een effectieve controleprocedure voor de documentatie van het interne model;
    • b) een versiecontroleprocedure voor de documentatie van het interne model;
    • c) een duidelijk referentiesysteem voor de documentatie van het interne model, dat moet worden gebruikt in een documenteninventaris overeenkomstig artikel 244, onder a), van de uitvoeringsmaatregelen.

Richtsnoer 44 – Documentatie van methoden

  • 1.105.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet documentatie verstrekken die gedetailleerd genoeg is om een grondig begrip aan te tonen van de methoden en technieken die in het interne model worden gebruikt, waaronder ten minste:
    • a) de onderliggende aannames;
    • b) de toepasselijkheid van deze aannames, gelet op het risicoprofiel van de onderneming;
    • c) tekortkomingen van de methode of techniek.
  • 1.106.Bij het documenteren van de theorie, de aannames en de wiskundige en empirische grondslagen van een in het interne model gebruikte methoden overeenkomstig artikel 125, lid 3, van Solvabiliteit II, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de materiële stappen van de ontwikkeling van de methode vermelden, indien beschikbaar, evenals alle andere methoden die in

aanmerking werden genomen maar later niet door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming werden gebruikt.

Richtsnoer 45 – Omstandigheden waaronder het interne model niet doeltreffend werkt

1.107.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet in haar documentatie een algemene samenvatting van de materiële tekortkomingen van het interne model opnemen, samengebracht in één document, waarin ten minste de in artikel 245 van de uitvoeringsmaatregelen vermelde aspecten voorkomen.

Richtsnoer 46 – Geschiktheid van documentatie voor de doelgroep

1.108.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet overwegen om een documentatie van het interne model te hebben die bestaat uit meer dan een documentatieniveau voor het interne model, op grond van de verschillende toepassingen en doelgroepen.

Richtsnoer 47 – Gebruiksaanwijzingen of procesbeschrijvingen

1.109. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet, als onderdeel van de documentatie van het interne model, gebruiksaanwijzingen of procesbeschrijvingen voor de werking van het interne model hebben, die voldoende gedetailleerd zijn om een onafhankelijke deskundige derde in staat te stellen het interne model toe te passen en uit te voeren.

Richtsnoer 48 – Documentatie van de output van het model

1.110.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet, als onderdeel van de documentatie van het interne model, de output van het model die relevant is om te voldoen aan de vereisten van artikel 120 van Solvabiliteit II bewaren.

Richtsnoer 49 – Documentatie van de software en modelleringsplatforms

  • 1.111.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet in haar documentatie informatie over de software, modelleringsplatforms en hardwaresystemen die in het interne model gebruikt worden opnemen.
  • 1.112.Wanneer software, modelleringsplatforms en hardwaresystemen gebruikt worden, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de documentatie voldoende informatie voorzien om het gebruik ervan te kunnen beoordelen en rechtvaardigen, en de toezichthoudende autoriteiten in staat te stellen te oordelen of ze geschikt zijn.

Hoofdstuk 11: Externe modellen en gegevens

Richtsnoer 50 – Externe gegevens

1.113.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet, gelet op de aard van externe gegevens, kunnen aantonen dat er een passend niveau van inzicht is in de specifieke kenmerken van de externe gegevens die in het interne model worden gebruikt, waaronder alle materiële transformaties, herschalingen, seizoensinvloeden en andere bewerkingen die inherent zijn aan externe gegevens.

  • 1.114.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet met name ten minste:
    • a) de kenmerken en beperkingen of andere bijzondere kenmerken van de externe gegevens begrijpen;
    • b) processen ontwikkelen voor het vaststellen van ontbrekende externe gegevens en andere beperkingen;
    • c) de benaderingen en verwerking voor ontbrekende of onbetrouwbare externe gegevens begrijpen;
    • d) processen ontwikkelen om tijdige consistentiecontroles uit te voeren, waaronder vergelijkingen met andere relevante bronnen, voor zover gegevens redelijkerwijs beschikbaar zijn.

Richtsnoer 51 – Inzicht in het externe model

  • 1.115.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet kunnen aantonen dat alle partijen die bij het gebruik van het externe model betrokken zijn, een toereikend inzicht hebben in de onderdelen van het externe model die relevant voor hen zijn, waaronder aannames en technische en operationele aspecten.
  • 1.116.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet bijzondere aandacht schenken aan de aspecten van het externe model die relevanter zijn voor haar risicoprofiel.

Richtsnoer 52 – Herziening van de keuze van het externe model en de externe gegevens

  • 1.117.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet haar rechtvaardiging voor de selectie van een bepaald extern model of bepaalde externe gegevens periodiek herzien.
  • 1.118.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat ze niet te afhankelijk is van één leverancier en moet plannen beschikbaar hebben om de gevolgen van storingen bij leveranciers te kunnen opvangen.
  • 1.119.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet aandacht besteden aan updates van het externe model of de externe gegevens, waardoor de onderneming haar risico’s beter kan beoordelen.

Richtsnoer 53 – Integratie van externe modellen in de structuur van het interne model

1.120.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet kunnen aantonen dat de benadering om het externe model in de structuur van het interne model te integreren passend is, met inbegrip van de door de onderneming geselecteerde technieken, gegevens, parameters en aannames en de output van het externe model.

Richtsnoer 54 – Validering in het kader van externe modellen en gegevens

  • 1.121.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet de aspecten van het externe model die relevant zijn voor haar risicoprofiel, en het proces voor integratie van het externe model en de externe gegevens in haar eigen processen en interne model, zelf valideren.
  • 1.122.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient de geschiktheid van de selectie of de niet-selectie van functies of opties die beschikbaar zijn voor het externe model, te beoordelen.
  • 1.123.Als onderdeel van de validering moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de juiste informatie en met name de door de leverancier of andere derde partij uitgevoerde analyse in aanmerking nemen, en er daarbij ten minste voor zorgen dat:
    • a) de onafhankelijkheid van de validering niet in het gedrang komt;
    • b) een en ander consistent is met het valideringsproces dat de verzekeringsof herverzekeringsonderneming hanteert, en duidelijk is vastgelegd in het valideringsbeleid;
    • c) er rekening gehouden wordt met impliciete of expliciete vooringenomenheid in de door de leverancier of andere derde partij uitgevoerde analyse.

Richtsnoer 55 – Documentatie in het kader van externe modellen en gegevens

  • 1.124.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet ervoor zorgen dat de documentatie van externe modellen en gegevens voldoet aan de documentatienormen.
  • 1.125.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet documentatie aanmaken over ten minste het volgende:
    • a) de aspecten van het externe model en de externe gegevens die relevant zijn voor haar risicoprofiel;
    • b) de integratie van het externe model of de externe gegevens in haar eigen procedures en interne model;
    • c) de integratie van de gegevens, met name de inputs voor het externe model of de outputs van het externe model, in haar eigen procedures en interne model;
    • d) de externe gegevens die in het interne model worden gebruikt, en de bron en het gebruik ervan.
  • 1.126.Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, als onderdeel van haar eigen documentatie, gebruikmaakt van de documentatie die aangemaakt wordt door de leveranciers en dienstverleners, moet de verzekerings- of

herverzekeringsonderneming ervoor zorgen dat er geen gevaar ontstaat dat ze niet meer zal voldoen aan de documentatienormen.

Richtsnoer 56 – Verantwoordelijkheid van de onderneming bij externe modellen en gegevens

1.127.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet verantwoordelijk blijven voor de uitvoering van haar verplichtingen met betrekking tot haar interne model en voor de rol van het externe model of de externe gegevens in het interne model en eventuele andere vereisten.

Richtsnoer 57 – Rol van de dienstverleners bij het gebruik van externe modellen en gegevens

  • 1.128.De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient een uitbestedingsovereenkomst op te maken wanneer zij ervoor kiest om niet rechtstreeks met het externe model te werken.
  • 1.129.Op dezelfde manier dient de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een uitbestedingsovereenkomst op te maken wanneer ze ervoor kiest om een dienstverlener de opdracht te geven een aantal taken met betrekking tot de externe gegevens uit te voeren.
  • 1.130. Bij het opmaken van een uitbestedingsovereenkomst moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voldoen aan de eisen van artikel 49 van Solvabiliteit II en artikel 274 van de uitvoeringsmaatregelen.

Hoofdstuk 12: Interne modellen voor groepen – werking van colleges

Richtsnoer 58 – Beoordeling van het toepassingsgebied van het interne model

  • 1.131.Bij de beoordeling van de geschiktheid van het toepassingsgebied van het interne model, moeten de groepstoezichthouder, de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zoals gedefinieerd in artikel 343, lid 2, van de uitvoeringsmaatregelen, en andere toezichthoudende autoriteiten vastgesteld door het college overeenkomstig artikel 344, lid 2, van de uitvoeringsmaatregelen, ten minste rekening houden met:

    • a) het belang van verbonden ondernemingen binnen de groep met betrekking tot het risicoprofiel van de groep;
    • b) het risicoprofiel van verbonden ondernemingen binnen de groep in vergelijking met het algemene risicoprofiel van de groep;
    • c) indien van toepassing, een overgangsplan voor de groep om het toepassingsgebied van het model tot een later tijdstip uit te stellen, en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;
    • d) de geschiktheid van de standaardformule of een ander intern model dat goedgekeurd is of zich in de fase van goedkeuring bevindt voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verbonden
  • verzekerings- of herverzekeringsonderneming die in het toepassingsgebied van het interne model is opgenomen;

  • e) de geschiktheid van de standaardformule of een ander intern model dat goedgekeurd is of zich in de fase van goedkeuring bevindt voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming die tot de groep behoort maar niet in het toepassingsgebied van het interne model voor de groep is opgenomen;

  • 1.132.Bij de beoordeling van de geschiktheid van de uitsluiting van verbonden ondernemingen binnen de groep uit het toepassingsgebied van het interne model, dienen de in de vorige alinea vermelde toezichthoudende autoriteiten na te gaan of de uitsluiting van de ondernemingen zou kunnen leiden tot:

    • a) een onjuiste toerekening van eigen vermogen op basis van de solvabiliteitskapitaalvereisten van individuele ondernemingen in plaats van hun bijdrage aan het risicoprofiel van de groep;
    • b) inconsistenties die voortvloeien uit het gebruik van het interne model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het gebruik van de standaardformule of een ander intern model, goedgekeurd of in de fase van goedkeuring, door een verbonden onderneming binnen de groep voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste;
    • c) zwakke punten in het risicobeheer van de groep en verbonden ondernemingen binnen de groep als gevolg van het beperkte toepassingsgebied van het interne model; of
    • d) een ontoereikend solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten opzichte van het risicoprofiel van de groep.

Richtsnoer 59 – Werkplan voor interne modellen in het kader van de beoordeling en goedkeuring van interne modellen voor groepen

  • 1.133.De groepstoezichthouder moet, in overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, een werkplan voor interne modellen en communicatieregels opstellen, die door deze autoriteiten moeten worden gevolgd bij de beoordeling en goedkeuring van interne modellen voor de groepen.
  • 1.134.Indien noodzakelijk moet de groepstoezichthouder, in overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, het werkplan voor interne modellen bijwerken.
  • 1.135.Met betrekking tot de beoordeling van het interne model moet de groepstoezichthouder ervoor zorgen dat het werkplan voor interne modellen het tijdschema, de belangrijkste stappen en de resultaten voor deze beoordeling vermeldt. In geval van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II, moeten de groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten overwegen om in het werkplan voor

interne modellen specifieke bepalingen op te nemen. De groepstoezichthouder moet ervoor zorgen dat het werkplan voor interne modellen ten minste:

  • a) bepaalt wanneer en hoe de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten bedoeld in artikel 343, lid 2, van de uitvoeringsmaatregelen, moeten worden geraadpleegd en bij de beoordeling moeten worden betrokken;
  • b) bepaalt wanneer en hoe de andere toezichthoudende autoriteiten binnen het college van toezichthouders bedoeld in artikel 344, lid 2, van de uitvoeringsmaatregelen aan de beoordeling mogen deelnemen;
  • c) de prioriteiten voor de beoordeling vaststelt, rekening houdend met het toepassingsgebied van het interne model, de specifieke kenmerken van elke verbonden onderneming binnen de groep, het risicoprofiel van de groep en de verbonden ondernemingen binnen de groep, en de beschikbare en relevante informatie over het interne model;
  • d) bepaalt wanneer en hoe over de resultaten van de door de betrokken toezichthoudende autoriteiten uitgevoerde beoordeling verslag moet worden uitgebracht aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
  • 1.136.Met betrekking tot het besluit over een verzoek tot het gebruik van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II, moet de groepstoezichthouder, in overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, ervoor zorgen dat het werkplan voor interne modellen het tijdschema voor alle stappen en resultaten omvat om tot een gezamenlijk besluit te komen conform de technische uitvoeringsnorm van Eiopa inzake het proces om tot een gezamenlijk besluit te komen over het interne model van een groep.

Richtsnoer 60 – Onzekerheden over het proces

1.137.Telkens wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit een essentiële onzekerheid met betrekking tot de goedkeuringsproces vaststelt, moet zij zo spoedig mogelijk haar bezorgdheid delen met de groepstoezichthouder en de andere betrokken autoriteiten.

Richtsnoer 61 – Gezamenlijke onderzoeken ter plaatse, uitgevoerd tijdens de beoordeling van interne modellen voor groepen

  • 1.138.De groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten om gezamenlijke inspecties ter plaatse kunnen verzoeken en kunnen bespreken wanneer en hoe ze die organiseren, om alle informatie over de beoordeling van een intern model van een groep te controleren en zo de effectiviteit van het proces te waarborgen.

  • 1.139.De toezichthoudende autoriteiten die een gezamenlijk onderzoek ter plaatse vragen, moeten de groepstoezichthouder hiervan in kennis stellen, met de vermelding van de reikwijdte en het doel van dit onderzoek, rekening houdend

  • met de doelstellingen van dit onderzoek in verband met de beoordeling zoals gedefinieerd door de betrokken toezichthoudende autoriteiten.

  • 1.140.De groepstoezichthouder moet vervolgens de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, Eiopa en, indien relevant, andere leden en deelnemers van het college die een invloed kunnen ondervinden of een belang kunnen hebben bij de deelneming of het resultaat van het gemeenschappelijk onderzoek ter plaatse, in kennis stellen.

  • 1.141.Zodra de toezichthoudende autoriteiten die aan het gezamenlijke onderzoek ter plaatse deelnemen zijn vastgesteld, moeten zij definitief de reikwijdte, het doel, de structuur en de toewijzing van de taken bij het onderzoek ter plaatse bespreken en hierover tot een akkoord komen, onder meer over de vraag wie het onderzoek ter plaatse zal leiden.

  • 1.142.De groepstoezichthouder moet worden geïnformeerd over het verloop en de bevindingen van het gezamenlijke onderzoek ter plaatse.

  • 1.143.Indien de toezichthoudende autoriteit die het onderzoek ter plaatse leidt niet de groepstoezichthouder is, moet zij de groepstoezichthouder de relevante documentatie verstrekken . De groepstoezichthouder moet de relevante documentatie beschikbaar stellen aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten, aan andere toezichthoudende autoriteiten die aan het gezamenlijke onderzoek ter plaatse deelnemen, en aan Eiopa. De groepstoezichthouder moet de andere collegeleden en deelnemers een lijst van de desbetreffende ontvangen documenten verstrekken en hun op specifiek verzoek deze documenten verstrekken.

  • 1.144.Op basis van een verslag met opgave van de belangrijkste bevindingen van het gemeenschappelijke onderzoek ter plaatse, moet de toezichthoudende autoriteit die het onderzoek ter plaatse leidt, het resultaat van het gemeenschappelijke onderzoek ter plaatse en de te nemen maatregelen bespreken met de betrokken toezichthoudende autoriteiten.

  • 1.145.De groepstoezichthouder moet de andere collegeleden en deelnemers over de resultaten en maatregelen inlichten in het kader van de in het college overeengekomen mededeling.

Richtsnoer 62 – Delen van onderzoeksresultaten inzake interne modellen voor groepen

  • 1.146.De betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten de belangrijkste bevindingen van hun bureauonderzoek en onderzoek ter plaatse met betrekking tot het interne model delen en bespreken met de groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.

  • 1.147.De betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten de benadering die zij bij het onderzoek van de elementen van het interne model volgen, delen met de groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.

  • 1.148.Indien de betrokken toezichthoudende autoriteiten als gevolg hiervan aanzienlijke verschillen in de gevolgde benadering vaststellen, moeten zij dit

  • bespreken en moeten zij tot een akkoord komen over een proces om een consistente aanpak te ontwikkelen wanneer zij een dergelijke stroomlijning gepast achten.

  • 1.149.De betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten, indien zij dit gepast achten, overwegen om de instrumenten en technieken die zij voor de beoordeling van de elementen van het interne model gebruiken, te delen met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.

Richtsnoer 63 – Betrokkenheid van toezichthoudende autoriteiten van derde landen tijdens de beoordeling van interne modellen voor groepen

  • 1.150.De groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten beslissen of en welke toezichthoudende autoriteiten van derde landen moeten worden geraadpleegd.
  • 1.151.Vóór de raadpleging van de toezichthoudende autoriteit van het derde land, moet de groepstoezichthouder, met de steun van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, passende maatregelen nemen om te garanderen dat de wettelijke bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van informatie in het rechtsgebied waar de toezichthoudende autoriteit van het derde land gelegen is, gelijkwaardig zijn aan de eisen inzake geheimhoudingsplicht die voortvloeien uit Solvabiliteit II.

Richtsnoer 64 – Beoordeling van ingrijpende wijzigingen aan een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II

1.152.In verband met de beoordeling van de aanvraag tot goedkeuring van een ingrijpende wijziging van een intern model van een groep overeenkomstig artikel 231 van Solvabiliteit II, moeten de groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten beslissen of de beoordeling van wijzigingen op het niveau van een verbonden onderneming doorgegeven dienen te worden aan de relevante betrokken toezichthoudende autoriteit.

Regels inzake naleving en rapportage

  • 1.153.Dit document bevat richtsnoeren die zijn uitgebracht uit hoofde van artikel 16 van de Eiopa-verordening. Ingevolge artikel 16, lid 3, van de Eiopa-verordening moeten bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste inspannen om de richtsnoeren en aanbevelingen na te leven.
  • 1.154.De bevoegde autoriteiten die voldoen of van plan zijn te voldoen aan deze richtsnoeren, dienen deze op een passende manier op te nemen in hun wetgevend of toezichthoudend kader.
  • 1.155.De bevoegde autoriteiten bevestigen Eiopa binnen twee maanden na publicatie van de vertaalde versies of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn hieraan te voldoen, of geven anders redenen voor niet-naleving op.

1.156.Indien op deze uiterste datum geen antwoord is ontvangen, zullen de bevoegde autoriteiten worden beschouwd als autoriteiten die niet voldoen aan de rapportageverplichtingen, en als zodanig worden geregistreerd.

Slotbepaling inzake herziening

1.157.Deze richtsnoeren kunnen door Eiopa worden herzien.