Home / Acts & Regulations / Solvency II Guidelines / Richtsnoeren over de groepssolvabiliteit

Richtsnoeren over de groepssolvabiliteit

Download PDF

EIOPA-BoS-14/181 NL

Richtsnoeren over de groepssolvabiliteit

Inleiding

  • 1.1. Deze richtsnoeren zijn opgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot vaststelling van een Europese toezichthoudende autoriteit (hierna “de Eiopa-verordening”)1 .
  • 1.2. De richtsnoeren hebben betrekking op de artikelen 212 tot en met 235 en de artikelen 261 tot en met263 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van de werkzaamheden van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (hierna “Solvabiliteit II-richtlijn”)2 en op de artikelen 328 tot en met 342 van de uitvoeringsmaatregelen3 .
  • 1.3. Deze richtsnoeren zijn bedoeld voor de toezichthoudende autoriteiten in het kader van Solvabiliteit II.
  • 1.4. De richtsnoeren over de berekening van de groepssolvabiliteit betreffen het specificeren en harmoniseren van de voorschriften voor de berekening van de groepssolvabiliteit.
  • 1.5. De richtsnoeren zijn van toepassing op alle methoden voor de berekening van de groepssolvabiliteit, tenzij anders aangegeven. Voor zover relevant zal de standaardformule of het interne model worden gespecificeerd in de richtsnoeren.
  • 1.6. De richtsnoeren vormen een nadere uitwerking voor de behandeling van de EER-groepen in het kader van de artikelen 215 tot en met 217 van de Solvabiliteit II-richtlijn.
  • 1.7. Als methode 2 wordt gebruikt voor het berekenen van de groepssolvabiliteit kunnen, mits de lidstaat de optie als bedoeld in artikel 227, lid 1, van de Solvabiliteit II-richtlijn ten uitvoer heeft gelegd, de lokale kapitaalvereisten voor de solvabiliteit en in aanmerking komend eigen vermogen zoals vastgesteld door de gelijkwaardige derde landen worden gebruikt.
  • 1.8. Indien de begrippen niet in deze richtsnoeren zijn bepaald, hebben ze de betekenis zoals bepaald in de in de aanhef genoemde wetsbepalingen.
  • 1.9. De richtsnoeren zijn van toepassing vanaf 1 april 2015.

1 PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48-83.

PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1-155.

3 PB L 12 van 17.01.2015, blz. 1-797.

Richtsnoer 1 - toepassingsgebied van de groep voor de berekening van de groepssolvabiliteit

1.10. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding die verantwoordelijk is voor de berekening van de groepssolvabiliteit neemt alle risico’s en aan de groep verbonden ondernemingen in ogenschouw, tenzij deze worden uitgesloten volgens artikel 214, lid 2, van de Solvabiliteit II-richtlijn.

Richtsnoer 2 - consolidatieproces

1.11. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding doet aan alle verbonden ondernemingen voorstellen over het verzamelen van gegevens voor het berekenen van de groepssolvabiliteit. Zij geeft de nodige instructies voor het opstellen van geconsolideerde, gecombineerde of geaggregeerde gegevens, afhankelijk van de gehanteerde berekeningsmethode. Zij zorgt ervoor dat haar instructies binnen de groep adequaat en homogeen worden toegepast met betrekking tot het erkennen en waarderen van kwesties in verband met de balans, alsmede de opneming en de behandeling van de verbonden ondernemingen.

Richtsnoer 3 - beoordeling van significante en dominante invloed

1.12. Voor het bepalen van het toepassingsgebied van de groep zorgt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding ervoor dat beslissingen van de groepstoezichthouder met betrekking tot de daadwerkelijk door de onderneming op een andere onderneming uitgeoefende invloed worden uitgevoerd.

Richtsnoer 4 - toepassing van het groepstoezicht

1.13. Aangezien de vier gevallen die van toepassing zijn op het groepstoezicht als bedoeld in artikel 213, lid 2, onder a tot en met d, van de Solvabiliteit IIrichtlijn elkaar niet uitsluiten, overwegen de toezichthoudende autoriteiten het toepassen van de verschillende gevallen van groepstoezicht, voorgeschreven krachtens dit artikel, binnen dezelfde groep.

Richtsnoer 5 - moedermaatschappij of verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding met hoofdkantoor in een derde land

  • 1.14. Wanneer, overeenkomstig artikel 215 van de Solvabiliteit II-richtlijn, sprake is van een subgroep als bedoeld in artikel 213, lid 2, onder a en b, van de Solvabiliteit II-richtlijn, zorgt de fungerend groepstoezichthouder zoals gedefinieerd in artikel 260 van de Solvabiliteit II-richtlijn, na raadpleging van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, ervoor dat het groepstoezicht standaard van toepassing is op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming in de Europese Unie.
  • 1.15. Echter, indien de moederonderneming van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding haar hoofdkantoor heeft buiten de EER en onderworpen is aan

een gelijkwaardig groepstoezicht van derde landen, vertrouwt de fungerend groepstoezichthouder, zoals gedefinieerd in artikel 260 van de Solvabiliteit IIrichtlijn, op het groepstoezicht krachtens artikel 261 van de Solvabiliteit IIrichtlijn uitgeoefend door de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, en ontslaat hij op ad-hocbasis de groep van derde landen van het groepstoezicht op het uiteindelijke niveau van de Europese Unie, als dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep en, gezien hun verantwoordelijkheden, geen afbreuk doet aan de toezichthoudende activiteiten van de betrokken toezichthoudende autoriteiten.

  • 1.16. Na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten overweegt de fungerend groepstoezichthouder zoals gedefinieerd in artikel 260 van de Solvabiliteit II-richtlijn een efficiënter groepstoezicht als voldaan is aan de volgende criteria:
    • (a) het wereldwijde groepstoezicht zorgt voor een deugdelijke beoordeling van de risico’s waaraan de EER-subgroep en haar diensten zijn blootgesteld, rekening houdend met de structuur van de groep, de aard, schaal en complexiteit van de risico’s en de allocatie van kapitaal binnen de groep;
    • (b) de huidige samenwerking tussen de groepstoezichthouder van het derde land en de toezichthoudende autoriteiten van de EER voor de betrokken groep is gestructureerd en verloopt goed door middel van regelmatige bijeenkomsten en passende uitwisseling van informatie in een college van toezichthouders waartoe de toezichthoudende autoriteiten van de EER en Eiopa worden uitgenodigd;
    • (c) een jaarlijks werkprogramma, met inbegrip van gezamenlijke onderzoeken ter plaatse, is overeengekomen door de toezichthoudende autoriteiten die betrokken zijn bij het toezicht op de groep.
  • 1.17. Wanneer de moederverzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding is gevestigd buiten de EER en niet onderworpen is aan een gelijkwaardig toezicht van het derde land, wordt in geval van een groep als omschreven in artikel 213, lid 2, onder a of b, van de Solvabiliteit II-richtlijn het groepstoezicht op de solvabiliteit toegepast op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming in de Europese Unie. Wanneer geen sprake is van een dergelijke groep beslissen de toezichthoudende autoriteiten of, op grond van artikel 262, lid 2, van de Solvabiliteit II-richtlijn, het oprichten van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding die haar hoofdkantoor in de Europese Unie heeft, vereist is, en onderwerpen zij deze EER-groep aan groepstoezicht en berekening van de groepssolvabiliteit.

Richtsnoer 6 - moederonderneming is een verzekeringsholding met gemengde activiteiten

1.18. Wanneer de moederonderneming een verzekeringsholding met gemengde activiteiten is, is de berekening van de groepssolvabiliteit van toepassing op een willekeurig deel van de groep krachtens de criteria van artikel 213, lid 2, onder a, b of c, van de Solvabiliteit II-richtlijn, in plaats van op de verzekeringsholding met gemengde activiteiten.

Richtsnoer 7 - toepassing van de berekeningsmethode

1.19. Met het oog op het berekenen van de groepssolvabiliteit overwegen de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding het toepassingsgebied zoals bepaald in Richtsnoer 1, ongeacht of methode 1, methode 2 of een combinatie van beide methoden wordt toegepast.

Richtsnoer 8 - keuze van de berekeningsmethode en beoordeling van de intragroeptransacties

1.20. Bij de beslissing of de uitsluitende toepassing van methode 1 niet aangewezen is overeenkomstig artikel 328 lid 1, onder e, van de uitvoeringsmaatregelen, houdt de groepstoezichthouder voor de aftrek en aggregatie rekening met de aanwezigheid van intragroeptransacties tussen de beoordeelde verbonden onderneming en alle andere entiteiten binnen het toepassingsgebied voor de berekening van de groepssolvabiliteit.

Richtsnoer 9 - proportioneel deel

  • 1.21. Als een verbonden onderneming is gekoppeld aan een andere onderneming door een relatie als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, beslist de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding over het toe te passen proportionele deel bij het berekenen van de groepssolvabiliteit, ongeacht de keuze van de berekeningsmethode.
  • 1.22. Standaard moet een proportioneel deel van 100 % worden toegepast. Als een groep een ander percentage wil toepassen, verklaart hij de groepstoezichthouder waarom dit gewenst is. Na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep zelf, beslist de groepstoezichthouder over de juistheid van het proportionele deel dat door de groep is gekozen.
  • 1.23. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit volgens methode 1 bepaalt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding het proportionele deel dat zij bezit in de met haar verbonden ondernemingen door uit te gaan van:
    • (a) 100 % als sprake is van een dochteronderneming volgens artikel 335, lid 1, onder a en b, van de uitvoeringsmaatregelen, tenzij anders wordt besloten overeenkomstig Richtsnoer 10;
    • (b) het percentage dat is gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening, als sprake is van ondernemingen volgens artikel 335, lid 1, onder c, van de uitvoeringsmaatregelen;
    • (c) het percentage van het geplaatste kapitaal dat direct of indirect wordt gehouden door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of gemengde financiële holding als sprake is van verbonden ondernemingen volgens artikel 335, lid 1, onder e, van de uitvoeringsmaatregelen.

Richtsnoer 10 - criteria voor het op proportionele grondslag vaststellen van het solvabiliteitstekort van een dochteronderneming

  • 1.24. Om aan te tonen dat de verantwoordelijkheid van de moederonderneming strikt beperkt blijft tot het aandeel in het vermogen van de verzekerings- of herverzekeringsdochteronderneming, zoals bedoeld in artikel 221, lid 1, van de Solvabiliteit II-richtlijn, verschaft de moederonderneming de groepstoezichthouder bewijs dat aan de volgende criteria is voldaan:

    • (a) er is geen sprake van een overeenkomst over de overdracht van winsten en verliezen of van garanties, overeenkomsten over het handhaven van netto waarde of andere overeenkomsten van de moederonderneming of een andere verbonden onderneming betreffende financiële steun;
    • (b) de investering in de dochteronderneming wordt niet beschouwd als een strategische investering voor de moederonderneming;
    • (c) de moederonderneming trekt geen voordeel uit haar deelname in de dochteronderneming, waar dergelijk voordeel de vorm aanneemt van intragroeptransacties als leningen, herverzekeringsovereenkomsten of serviceovereenkomsten;
    • (d) de dochteronderneming vormt geen centraal onderdeel van het bedrijfsmodel van de groep, met name met betrekking tot het productaanbod, het klantenbestand, onderaanneming, distributie, beleggingsstrategie en beheer; verder werkt zij niet onder dezelfde naam of merk en zijn er geen in elkaar grijpende verantwoordelijkheden op het niveau van de hoogste leiding van de groep;
    • (e) een schriftelijke overeenkomst tussen de moederonderneming en de dochteronderneming beperkt in geval van een solvabiliteitstekort uitdrukkelijk de steun van de moederonderneming tot het aandeel van de moederonderneming in het kapitaal van die dochteronderneming. Bovendien moet de dochteronderneming een strategie aanhouden om het solvabiliteitstekort weg te werken, zoals garanties van minderheidsaandeelhouders.
  • 1.25. Als een dochteronderneming deel uitmaakt van het toepassingsgebied van het interne model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, mag de groepstoezichthouder de moederonderneming niet toestaan op proportionele grondslag rekening te houden met het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming.

  • 1.26. De groepstoezichthouder beoordeelt die criteria na raadpleging van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep zelf op ad-hocbasis en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de groep.

  • 1.27. De status van strikt beperkte aansprakelijkheid van de moederonderneming moet worden onderworpen aan een jaarlijks onderzoek door de groepstoezichthouder.

  • 1.28. Om de polishouders en beleggers te informeren, publiceren de moederonderneming en de dochteronderneming de positieve beslissing van de

  • groepstoezichthouder, waarmee het solvabiliteitstekort op proportionele grondslag wordt vastgesteld, als belangrijke informatie in het hoofdstuk kapitaalbeheer in het verslag over de solvabiliteit en financiële toestand van de groep en de individuele onderneming.

  • 1.29. Bij het opstellen van de geconsolideerde gegevens met behulp van methode 1 moeten het eigen vermogen en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming op proportionele grondslag worden berekend in plaats van een volledige consolidatie toe te passen.

  • 1.30. Bij het opstellen van de geaggregeerde gegevens met behulp van methode 2 moeten het eigen vermogen en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming worden berekend met behulp van het proportionele deel van de betrokken dochteronderneming, ook in geval van een solvabiliteitstekort.

Richtsnoer 11 - behandeling van de specifieke verbonden ondernemingen voor het berekenen van de groepssolvabiliteit

1.31. Als ondernemingen in andere financiële sectoren een groep vormen die moet voldoen aan het sectorkapitaalvereiste, overwegen de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding bij het berekenen van de groepssolvabiliteit of zij gebruik moet maken van de solvabiliteitsvereisten van die groep of moeten uitgaan van de som van de eisen ten aanzien van elke individuele onderneming.

Richtsnoer 12 - bijdrage van een dochteronderneming aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep

  • 1.32. Bij toepassing van methode 1 en de standaardformule berekenen de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding de bijdrage van een dochteronderneming aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep in overeenstemming met Technische bijlage 1.
  • 1.33. Voor een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringstussenholding of gemengde financiële tussenholding die geconsolideerd is volgens artikel 335 van de uitvoeringsmaatregelen, moet de bijdrage van het individuele solvabiliteitskapitaalvereiste worden berekend rekening houdend met het proportionele deel dat voor de bepaling van de geconsolideerde gegevens wordt gebruikt.
  • 1.34. Als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de geconsolideerde groep wordt berekend op basis van een intern model, is de bijdrage van een dochteronderneming aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep gelijk aan het product van het solvabiliteitskapitaalvereiste van die dochteronderneming en het percentage dat overeenkomt met de diversificatieeffecten toegeschreven aan deze dochteronderneming volgens het interne model.
  • 1.35. Bij toepassing van methode 2 is de bijdrage van een dochteronderneming aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep gelijk aan het proportionele deel

van het individuele solvabiliteitskapitaalvereiste, aangezien geen rekening wordt gehouden met diversificatie-effecten op groepsniveau.

Richtsnoer 13 - beschikbaarheid van eigen vermogen op groepsniveau van verbonden ondernemingen die geen dochterondernemingen zijn

  • 1.36. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding beoordelen, overeenkomstig artikel 222, lid 2, van de Solvabiliteit II-richtlijn en artikel 330 van de uitvoeringsmaatregelen, de beschikbaarheid van eigen vermogen van verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, intermediaire verzekeringsholdings en intermediaire gemengde financiële holdings die geen dochterondernemingen zijn en voor verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, intermediaire verzekeringsholdings en intermediaire gemengde financiële holdings uit derde landen die geen dochterondernemingen zijn, als de eigenvermogensbestanddelen van deze ondernemingen van wezenlijke invloed zijn op het bedrag van het eigen vermogen van de groep of de groepssolvabiliteit. Zij leggen de groepstoezichthouder uit hoe de beoordeling tot stand is gekomen.
  • 1.37. De groepstoezichthouder beziet, in nauwe samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, de beoordeling van de groep.

Richtsnoer 14 - behandeling van minderheidsbelangen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep

  • 1.38. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding berekent voor elke dochteronderneming het bedrag van de minderheidsbelangen in het in aanmerking komend eigen vermogen dat moet worden afgetrokken van het eigen vermogen van de groep, voor elke dochteronderneming en in onderstaande volgorde:
      1. berekenen van het in aanmerking komende eigen vermogen dat de bijdrage van de dochteronderneming aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep overschrijdt;
      1. identificeren en aftrekken van het bedrag van het niet-beschikbare eigen vermogen dat de bijdrage van de dochteronderneming aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep uit het in aanmerking komende eigen vermogen, zoals berekend in stap 1, overschrijdt;
      1. berekenen van het deel van de minderheidsbelangen dat moet worden afgetrokken van het eigen vermogen van de groep door het minderheidsbelang te vermenigvuldigen met het resultaat van stap 2.

Richtsnoer 15 - behandeling van afgezonderde fondsen en overeenkomende aanpassingsportefeuilles voor dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep

1.39. Voor alle ondernemingen waarvoor het berekenen van de groepssolvabiliteit met behulp van methode 1 van toepassing is en voor ondernemingen in nietgelijkwaardige derde landen waarvoor het berekenen van de groepssolvabiliteit van toepassing is met behulp van methode 2, past de deelnemende

  • verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding de beginselen toe voor afgezonderde fondsen en overeenkomende aanpassingsportefeuilles als bedoeld in de artikelen 81 en 217 van de uitvoeringsmaatregelen.

  • 1.40. Voor ondernemingen in gelijkwaardige derde landen waarvoor het berekenen van de groepssolvabiliteit met behulp van methode 2 van toepassing is, identificeren de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding alle beperkingen voor het eigen vermogen van de onderneming als gevolg van het afzonderen van activa of passiva of een soortgelijke regeling, overeenkomstig de bepalingen inzake gelijkwaardige solvabiliteit. Bij het berekenen van de groepssolvabiliteit worden deze beperkingen in overweging genomen in het kader van de beoordeling van de beschikbaarheid van eigen vermogen op groepsniveau.

  • 1.41. Bij het berekenen van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep met behulp van methode 1 laat de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding niet de intragroeptransacties tussen de activa en passiva buiten beschouwing die betrekking hebben op elk materieel afgezonderd fonds of elke overeenkomende aanpassingsportefeuille en de resterende geconsolideerde gegevens. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, is gelijk aan de som van:

    • (a) het theoretische solvabiliteitskapitaalvereiste voor elk materieel afgezonderd fonds en elke overeenkomende aanpassingsportefeuille, beide berekend met inachtneming van de activa en passiva van het afgezonderde fonds exclusief intragroeptransacties; en
    • (b) het (gediversifieerde) solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep voor de resterende geconsolideerde gegevens (met uitzondering van de activa en passiva van alle materiële afgezonderde fondsen, maar met inbegrip van de activa en passiva van alle niet-materiële afgezonderde fondsen). Bij het berekenen van de solvabiliteitskapitaalvereisten van de groep voor de resterende geconsolideerde gegevens worden de intragroeptransacties buiten beschouwing gelaten, maar worden de intragroeptransacties van de resterende geconsolideerde gegevens en de materiële afgezonderde fondsen niet buiten beschouwing gelaten.
  • 1.42. Als een groep gebruikmaakt van een intern model voor het berekenen van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep (hierna “SCR”, Solvency Capital Requirement), volgt hij de aanwijzing zoals uiteengezet in Richtsnoer 13 van de Richtsnoeren inzake afgezonderde fondsen.

  • 1.43. De geconsolideerde gegevens voor de berekening van het eigen vermogen van de groep zijn netto intragroeptransacties als bedoeld in artikel 335, lid 3, van de uitvoeringsmaatregelen. Om die reden worden alle intragroeptransacties tussen materiële afgezonderde fondsen en de overige geconsolideerde gegevens bij het berekenen van het eigen vermogen van de groep buiten beschouwing gelaten.

  • 1.44. Voor elke materieel afgezonderd fonds en voor elke overeenkomende aanpassingsportefeuille zoals geïdentificeerd in de geconsolideerde gegevens volgens methode 1, berekent de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding de beperkte eigenvermogensbestanddelen met gebruikmaking van dezelfde activa en passiva van het afgezonderde fonds die werden gebruikt bij het berekenen van haar theoretisch solvabiliteitsvereiste of overeenkomende aanpassingportefeuille als hierboven beschreven, dat wil zeggen vóór intragroeptransacties.

  • 1.45. Het totale beperkte eigen vermogen binnen het afgezonderd fonds of de overeenkomende aanpassingsportefeuille die moeten worden afgetrokken van de groepsreconciliatiereserve is dus gelijk aan de som van alle materiële beperkte eigen middelen zoals vastgesteld in EER-verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en de beperkte eigen middelen zoals vastgesteld in een niet-EER-verzekerings- en herverzekeringsonderneming binnen het toepassingsgebied van de geconsolideerde gegevens.

Richtsnoer 16 - aanpassingen in verband met de niet-beschikbare eigen middelen voor het berekenen van de in aanmerking komende eigen middelen van de groep

  • 1.46. Bij gebruik van methode 1 trekt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding het deel van de eigen middelen van de verbonden ondernemingen die niet beschikbaar zijn voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep af van desbetreffende eigenvermogenbestanddelen en de desbetreffende niveaus van het eigen vermogen van de geconsolideerde groep.

  • 1.47. Voor het berekenen van de in aanmerking komende eigen middelen van de groep ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep volgt zij de hieronder beschreven procedure:

    • (a) het eigen vermogen van de groep wordt berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, als bedoeld in artikel 335, onder a tot en met f, van de uitvoeringsmaatregelen, exclusief eventuele intragroeptransacties;
    • (b) het eigen vermogen van de groep wordt ingedeeld in niveaus;
    • (c) het beschikbare eigen vermogen van de groep wordt berekend exclusief groepscorrecties die relevant zijn op groepsniveau;
    • (d) het in aanmerking komend eigen vermogen is onderworpen aan dezelfde niveaubeperkingen die gelden op individueel niveau ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.
  • 1.48. Bij methode 2 gebruikt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding de som van de in aanmerking komende eigen middelen van

  • de verbonden ondernemingen na aftrek van de niet-beschikbare eigen middelen op groepsniveau.

  • 1.49. Als, bij beide berekeningsmethoden, de niet-beschikbare eigen middelen in meer dan één niveau zijn ingedeeld, moet de volgorde waarin zij worden afgetrokken van de verschillende niveaus worden toegelicht aan de groepstoezichthouder.

Richtsnoer 17 - procedure voor het beoordelen van de niet-beschikbare eigen middelen door de groepstoezichthouder

  • 1.50. In het geval van een grensoverschrijdende groep bespreekt de groepstoezichthouder zijn beoordeling van de niet-beschikbare eigen middelen met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten binnen het college en met de deelnemende verzekerings- en herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding. De procedure is als volgt:
    • (a) in haar periodiek toezichtsrapport verstrekt de deelnemende verzekeringsof herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding de groepstoezichthouder haar beoordeling van de nietbeschikbare eigen middelen voor alle ondernemingen waarvoor de berekening van de groepssolvabiliteit geldt. Zij geeft daarbij een toelichting op de aanpassingen in verband met de aftrek van nietbeschikbare eigen middelen;
    • (b) de groepstoezichthouder bespreekt deze beoordeling van niet-beschikbare eigen middelen binnen het college alsook met de groep;
    • (c) elke toezichthoudende autoriteit verstrekt haar beoordeling van de beschikbaarheid op groepsniveau van eigen middelen in verband met de gecontroleerde ondernemingen;
    • (d) de groepstoezichthouder bespreekt met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten of de beschikbaarheid van eigen middelen verandering ondergaat als gevolg van de beoordeling op individueel of groepsniveau.
  • 1.51. Als sprake is van een nationale groep bespreekt de groepstoezichthouder haar beoordeling van de niet-beschikbare eigen middelen met de deelnemende verzekerings- en herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding.

1.52. De procedure is als volgt:

(a) in haar periodiek toezichtsrapport verstrekt de deelnemende verzekeringsof herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding de groepstoezichthouder haar beoordeling van de nietbeschikbare eigen middelen voor alle ondernemingen waarvoor de berekening van de groepssolvabiliteit geldt. Zij geeft daarbij een toelichting op de aanpassingen in verband met de aftrek van nietbeschikbare eigen middelen;

(b) de groepstoezichthouder bespreekt met de groep haar beoordeling van de niet-beschikbare eigen middelen.

Richtsnoer 18 - reconciliatiereserve op groepsniveau

  • 1.53. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding zorgt ervoor dat de reconciliatiereserve op groepsniveau is gebaseerd op artikel 70 van de uitvoeringsmaatregelen. In het bijzonder moet de deelnemende verzekeringsof herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding op groepsniveau rekening houden met:
    • (a) de waarde van eigen aandelen gehouden door de deelnemende verzekerings of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding en de verbonden ondernemingen;
    • (b) de beperkte eigenvermogensbestanddelen die hoger zijn dan het theoretisch solvabiliteitskapitaalvereiste in geval van een afgezonderd fonds en de overeenkomende aanpassingsportefeuilles op groepsniveau.

Richtsnoer 19 - bepaling van de geconsolideerde gegevens voor het berekenen van de groepssolvabiliteit

1.54. De geconsolideerde gegevens worden berekend op basis van de geconsolideerde jaarrekening, die gewaardeerd is overeenkomstig de voorschriften van de Solvabiliteit II-richtlijn met betrekking tot de vaststelling en waardering van de balans, alsmede de opneming en de behandeling van de verbonden ondernemingen.

Richtsnoer 20 - bepaling van de valuta voor het berekenen van het valutarisico

1.55. Voor het kapitaalvereiste voor het valutarisico wordt rekening gehouden met alle relevante risicobeperkingstechnieken die voldoen aan de voorschriften van de artikelen 209 tot en met 215 van de uitvoeringsmaatregelen. Voor het berekenen van het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste waarbij de standaardformule wordt toegepast, wordt ook op groepsniveau rekening gehouden met alle investeringen die luiden in een valuta gekoppeld aan de valuta van de geconsolideerde jaarrekening, in overeenstemming met artikel 188 van de uitvoeringsmaatregelen.

Richtsnoer 21 - minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep (vloer tot het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep)

  • 1.56. Bij het bepalen van het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep hanteert de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding bij gebruik van methode 1, uitsluitend of in combinatie met methode 2, de volgende kapitaalvereisten:
    • (a) de minimumkapitaalvereisten van de toegelaten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van de EER die vallen binnen het toepassingsgebied van methode 1;

(b) de lokale kapitaalvereisten, volgens welke de toelating zou worden ingetrokken, voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit een derde land die vallen binnen het toepassingsgebied van methode 1, onafhankelijk van eventuele bevinding van gelijkwaardigheid.

Richtsnoer 22 - minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep

1.57. Als, bij gebruikmaking van methode 1, uitsluitend of in combinatie met methode 2, niet langer wordt voldaan aan het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep of als er in de volgende drie maanden een risico van niet-naleving bestaat, zijn op groepsniveau de controlemaatregelen zoals vastgesteld in artikel 139, lid 1 en 2, van de Solvabiliteit II-richtlijn voor het niet-naleven van het individuele minimumkapitaalvereiste van toepassing.

Richtsnoer 23 - behandeling van specifieke groepsrisico’s

1.58. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding berekent het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en houdt daarbij rekening met alle kwantificeerbare materiële specifieke risico’s op groepsniveau die van invloed kunnen zijn op de solvabiliteit en de financiële positie van de groep. Als de specifieke risico’s van de groep van materieel belang zijn, moet de groep groepspecifieke parameters of een gedeeltelijk intern model gebruiken voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste dat overeenkomt met de groepspecifieke risico’s.

1.59. Deze risico’s zijn:

  • (a) de risico’s die ook aanwezig zijn op individueel niveau, maar waarvan het effect aanzienlijk verschilt (die zich op andere wijze gedragen) op groepsniveau; of
  • (b) de risico’s alleen op groepsniveau.
  • 1.60. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep voor het kwantificeerbare deel van deze risico’s wordt als volgt berekend:
    • (a) in het geval zoals beschreven in a) door andere kalibraties toe te passen in de relevante risicomodules of ondermodules dan die welke worden gebruikt op het niveau van de individuele onderneming, ofwel door passende scenario’s toe te passen;
    • (b) in geval b) door passende scenario’s toe te passen.
  • 1.61. Als de groep niet in staat is het risicoprofiel tot uiting te laten komen in het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als gevolg van de specifieke risico’s op groepsniveau zoals hierboven beschreven, legt de groepstoezichthouder, indien van toepassing, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een groepsopslagfactor op als bedoeld in de artikelen 232, onder a, en 233, lid 6, van de Solvabiliteit II-richtlijn.

Richtsnoer 24 - risicoprofielopslagfactor bij methode 1

1.62. Wanneer een risicoprofielopslagfactor is opgelegd aan een verbonden onderneming en deze verbonden onderneming wordt geconsolideerd volgens methode 1, beoordeelt de groepstoezichthouder op het niveau van de groep het belang van de afwijking van het risicoprofiel van de veronderstellingen ten aanzien van het solvabiliteitskapitaalvereiste, als berekend op basis van de standaardformule of een intern model, en overweegt hij de noodzaak van het opleggen van een opslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

Richtsnoer 25 - governance-opslagfactor bij methode 1

1.63. Als een governance-opslagfactor is opgelegd aan een verbonden onderneming van een groep en die verbonden onderneming wordt geconsolideerd volgens methode 1, beoordeelt de groepstoezichthouder op het niveau van de groep het belang van de afwijking van de normen die zijn vastgelegd in de artikelen 41 tot en met 49 van de Solvabiliteit II-richtlijn en overweegt hij de noodzaak van het opleggen van een opslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

Richtsnoer 26 - beoordeling van de afwijking op individueel niveau in geval van een aanzienlijke afwijking op groepsniveau

  • 1.64. Wanneer een significante afwijking is vastgesteld op groepsniveau, beoordeelt de toezichthoudende autoriteit van een verbonden onderneming of de afwijking voortvloeit uit het risicoprofiel of uit het governancesysteem op het niveau van de verbonden onderneming.
  • 1.65. Zo ja, dan beoordeelt de betrokken toezichthoudende autoriteit het belang van de afwijking ten opzichte van het risicoprofiel of het systeem van governancenormen en overweegt hij de noodzaak van het opleggen van een opslagfactor op het niveau van de verbonden onderneming.

Richtsnoer 27 - opslagfactor bij methode 2

1.66. Indien het gehele of een deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt berekend met behulp van methode 2, wordt elke risicoprofielopslagfactor die is opgelegd aan een verbonden onderneming die valt onder de berekening volgens methode 2, toegevoegd aan het solvabiliteitskapitaalvereiste voor het proportionele deel als bedoeld in artikel 221, lid 1, sub b, van de Solvabiliteit IIrichtlijn. Dubbeltelling van dezelfde afwijking van het risicoprofiel op individueel en groepsniveau moet worden vermeden.

Nalevings- en rapportageregels

  • 1.67. Dit document bevat richtsnoeren die uitgegeven worden overeenkomstig artikel 16 van de Eiopa-verordening. Overeenkomstig artikel 16, lid 3, van de Eiopa-verordening spannen alle bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste in om aan de richtsnoeren en aanbevelingen te voldoen.

  • 1.68. De bevoegde autoriteiten die aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn deze op te volgen, dienen deze op gepaste wijze in hun regelgevende of toezichthoudende kader op te nemen.

  • 1.69. De bevoegde autoriteiten bevestigen Eiopa of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn deze op te volgen, met opgave van de redenen waarom ze daaraan niet voldoen, en wel binnen twee maanden na uitgifte van de vertaalde versies.

  • 1.70. Bij uitblijven van een antwoord binnen deze termijn worden de bevoegde autoriteiten geacht niet te voldoen aan de rapportageverplichting en als zodanig gemeld.

Slotbepaling inzake herzieningen

1.71. Deze richtsnoeren kunnen door Eiopa worden herzien.

Technische bijlage 1

Berekening van de bijdrage van de dochteronderneming van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep (“SCR”) [Richtsnoeren 12, 14 en 15]

Contrj = SCRj × SCRdiversified/i SCRisolo

Waarbij:

  • SCRj is de SCR op het niveau van de individuele entiteiten van de onderneming j;
  • SCRdiversified = SCR berekend in overeenstemming met artikel 336, onder a, van de uitvoeringsmaatregelen;
  • SCRisolo is de SCR op het niveau van de individuele entiteiten van de deelnemende onderneming en elke verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming en verzekering van het derde land en herverzekeringsonderneming die zijn opgenomen in de berekening van de SCRdiversified;
  • de verhouding is het evenredig aanpassen als gevolg van het vaststellen van diversificatie-effecten op groepsniveau.

Voor ondernemingen die zijn opgenomen in de geconsolideerde gegevens met proportionele consolidatie wordt, overeenkomstig artikel 335, lid 1, onder c, van de uitvoeringsmaatregelen, alleen het proportionele deel van de SCR op het niveau van de individuele entiteit in de bovenstaande berekening opgenomen.