Home / Acts & Regulations / Solvency II Guidelines / Richtsnoeren voor rapportage en openbaarmaking

Richtsnoeren voor rapportage en openbaarmaking

Download PDF

EIOPA-BoS-15/109 NL

Richtsnoeren voor rapportage en openbaarmaking

1. Inleiding

  • 1.1. Eiopa brengt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (hierna ‘Eiopa-verordening’)1 richtsnoeren voor toezichtrapportage en openbaarmaking uit, die gericht zijn tot nationale bevoegde autoriteiten.
  • 1.2. Deze richtsnoeren hebben betrekking op de artikelen 35, 51, 53, 54 en 55, artikel 254, lid 2, en artikel 256 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad2 (hierna ‘richtlijn Solvabiliteit II’) en de artikelen 290 tot en met 298, 305 tot en met 311, 359 en 365, evenals bijlage XX van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 (hierna ‘Gedelegeerde Verordening’)3 , waarin wordt uiteengezet welke informatie aan de toezichthoudende autoriteiten dient te worden verstrekt in het periodieke verslag aan de toezichthoudende autoriteit (‘periodiek toezichtverslag’ of PTV), de kwantitatieve toezichtrapportage, van tevoren omschreven gebeurtenissen en de informatie die openbaar dient te worden gemaakt in het verslag over de solvabiliteit en financiële toestand (VSFT).
  • 1.3. De richtsnoeren geven nadere bijzonderheden over wat toezichthoudende autoriteiten van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings zouden moeten verwachten met betrekking tot:
    • a) de inhoud van het VSFT als gespecificeerd in titel 1, hoofdstuk XII, afdeling I, van de Gedelegeerde Verordening;
    • b) de inhoud van het PTV als gespecificeerd in titel 1, hoofdstuk XII, afdeling I, van de Gedelegeerde Verordening;
    • c) toe te passen valideringen van de jaarlijkse en driemaandelijkse kwantitatieve templates ter aanvulling van de in het PTV gepresenteerde informatie, als vastgelegd in de technische uitvoeringsnormen voor de templates voor het verstrekken van informatie aan de toezichthoudende autoriteiten;
    • d) rapportage in het geval van tevoren omschreven gebeurtenissen als gedefinieerd in de richtlijn Solvabiliteit II;
    • e) de processen van de onderneming voor openbaarmaking en toezichtrapportage overeenkomstig de vereisten van de richtlijn Solvabiliteit II.

1 Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331, 15.12.2010, blz. 48)

2 Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335, 17.12.2009, blz. 1)

3 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1)

  • 1.4. De richtsnoeren over de inhoud van het VSFT en het PTV zijn bedoeld om de openbaarmaking en de toezichtrapportage te harmoniseren voor zover verdere verduidelijking van de Gedelegeerde Verordening nodig is, door de verwachte minimale inhoud van geselecteerde delen van de verslagen te specificeren.
  • 1.5. Tenzij anders aangegeven gelden de tot individuele bedrijven gerichte richtsnoeren voor individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, voor vestigingen uit derde landen, voor deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, voor verzekeringsholdings en voor gemengde financiële holdings.
  • 1.6. Waar van toepassing gelden de richtsnoeren die zowel betrekking hebben op het VSFT als het PTV, voor vestigingen binnen de Gemeenschap die behoren tot verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarvan het hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is gevestigd (vestigingen uit derde landen) wanneer zij hun PTV opstellen (aangezien vestigingen uit derde landen geen VSFT hoeven op te stellen en het PTV voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een aanvulling vormt op het VSFT).
  • 1.7. Daarnaast gelden de richtsnoeren die betrekking hebben op groepen, voor deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings wanneer deze het groeps-VSFT of het enkelvoudige VSFT en groeps-PTV opstellen.
  • 1.8. Tenzij anders vermeld gelden deze richtsnoeren voor alle ondernemingen, ongeacht de vraag of zij de standaardformule, een intern model of een gedeeltelijk intern model gebruiken voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste.
  • 1.9. Richtsnoeren over tevoren omschreven gebeurtenissen die zowel betrekking hebben op individuele ondernemingen als op groepen, hebben als doel de vereisten van artikel 35, lid 2, onder a), punt (ii) en artikel 245, lid 2, van de richtlijn Solvabiliteit II nader te specificeren.
  • 1.10. Bij de toepassing van deze richtsnoeren dient rekening te worden gehouden met het materialiteitsbeginsel als gedefinieerd in de artikelen 291 en 305 van de Gedelegeerde Verordening.
  • 1.11. Termen die niet zijn gedefinieerd in deze richtsnoeren, hebben de betekenis die is vastgelegd in de rechtshandelingen waarnaar in de inleiding wordt verwezen.
  • 1.12. De richtsnoeren treden in werking op 1 januari 2016.

Afdeling I - Verslag over de solvabiliteit en de financiële toestand

A. Activiteiten en prestaties

Richtsnoer 1 – Activiteiten

  • 1.13. In rubriek ‘A.1 Activiteiten’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening beschrijven verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ten minste de volgende informatie betreffende hun activiteiten:
    • a) de naam en locatie van de rechtspersonen of natuurlijke personen die direct en indirect houders zijn van gekwalificeerde deelnemingen in de onderneming (met inbegrip van de onmiddellijke of uiteindelijke moederentiteit of natuurlijke persoon), het percentage van hun eigendomsbelang en, indien anders, het percentage van hun stemrechten;
    • b) een lijst van materiële verbonden ondernemingen, met inbegrip van hun naam, rechtsvorm, land, percentage van hun eigendomsbelang en, indien anders, het percentage van hun stemrechten;
    • c) een vereenvoudigde groepsstructuur.

Richtsnoer 2 – Beoordeling van prestaties op overig gebied

1.14. In rubriek ‘A.4. Prestaties op overig gebied’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening beschrijven verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in het algemeen de lease-overeenkomsten met betrekking tot elke materiële lease-overeenkomst, afzonderlijk voor financiële en operationele leases.

B. Bestuurssysteem

Richtsnoer 3 – Bestuursstructuur

1.15. In rubriek ‘B.1. Algemene informatie over het bestuurssysteem’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening leggen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit hoe de sleutelfuncties beschikken over de nodige bevoegdheid, middelen en operationele zelfstandigheid om hun taken te verrichten en hoe zij rapporteren en adviezen uitbrengen aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de verzekerings- en herverzekeringsonderneming (hierna ‘BBTO’)

Richtsnoer 4 - Risicomanagementsysteem voor gebruikers van een intern model

1.16. In rubriek ‘B.3 Risicomanagementsystemen inclusief de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening beschrijven verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste de volgende informatie betreffende de governance van het interne model:

  • a) de verantwoordelijke rollen en, indien aanwezig, de specifieke comités, hun belangrijkste taken, hun positie en de omvang van hun verantwoordelijkheden;
  • b) hoe bestaande comités samenwerken met het BBTO om te voldoen aan de vereisten van artikel 116 van de richtlijn Solvabiliteit II;
  • c) eventuele materiële veranderingen in de governance van het interne model tijdens de verslagperiode;
  • d) een beschrijving van het valideringsproces (waarmee de prestaties en de blijvende geschiktheid van het interne model worden bewaakt).

C. Risicoprofiel

Richtsnoer 5 - Verzekeringstechnisch risico

1.17. In rubriek ‘C.1 Verzekeringstechnisch risico’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening beschrijven verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ten aanzien van het gebruik van Special Purpose Vehicles of deze zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 211 van de richtlijn Solvabiliteit II en welke risico’s hierop worden overgedragen, en leggen zij uit hoe het beginsel van volledige kapitaaldekking op continue basis wordt beoordeeld.

D. Waardering voor solvabiliteitsdoeleinden

Richtsnoer 6 – Activa – Informatie over aggregatie per categorie

  • 1.18. In rubriek ‘D.1 Activa’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, wanneer zij activa samenvoegen in materiële categorieën om de daarop toegepaste waarderingsgrondslag te beschrijven, rekening met de aard, de functie, het risico en de materialiteit van die activa.
  • 1.19. Andere categorieën dan die welke worden gebruikt in de Solvabiliteit IIbalanstemplate als gedefinieerd in de technische uitvoeringsnorm voor de procedures, vormen en templates van het verslag over de solvabiliteit en de financiële toestand, worden alleen gebruikt als de onderneming aan de toezichthoudende autoriteit kan aantonen dat een andere presentatie duidelijker en relevanter is.

Richtsnoer 7 – Inhoud naar materiële activacategorieën

1.20. In rubriek ‘D.1 Activa’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met betrekking tot elke materiële activacategorie, ten minste de volgende kwantitatieve en kwalitatieve informatie:

  • a) de gehanteerde grondslag voor opname en waardering, met inbegrip van de gebruikte methoden en inputs, evenals beoordelingen, afgezien van schattingen, die een materieel effect zouden hebben op de opgenomen bedragen, in het bijzonder:
    • i. voor immateriële activa van materieel belang: aard van de activa en informatie over de bewijzen en criteria op grond waarvan is geconcludeerd dat er een actieve markt bestaat voor die activa;
    • ii. voor materiële financiële activa: informatie over de criteria die zijn gebruikt om te beoordelen of markten actief zijn en, als de markten inactief zijn, een beschrijving van het gebruikte waarderingsmodel;
    • iii. voor financiële en operationele lease: algemene beschrijving van de lease-overeenkomsten met betrekking tot elke materiële categorie activa waarop de lease-overeenkomst betrekking heeft, afzonderlijk voor financiële en operationele leases;
    • iv. voor materiële uitgestelde belastingvorderingen: informatie over de oorsprong van de opname van uitgestelde belastingvorderingen en het bedrag en de verloopdatum, indien van toepassing, van aftrekbare tijdelijke verschillen, niet-gecompenseerde fiscale verliezen en ongebruikte fiscaal verrekenbare tegoeden waarvoor geen uitgestelde belastingvorderingen zijn opgenomen op de balans;
    • v. voor verbonden ondernemingen: wanneer verbonden ondernemingen niet zijn gewaardeerd met gebruikmaking van genoteerde marktprijzen in actieve markten of aan de hand van de aangepaste vermogensmutatiemethode, uitleg waarom het gebruik van deze methoden niet mogelijk of praktisch was;
  • b) eventuele veranderingen in de gebruikte grondslagen voor opname en waardering of in schattingen tijdens de verslagperiode;
  • c) aannames en beoordelingen, ook over de toekomst en andere belangrijke bronnen van onzekerheid ten aanzien van ramingen.

Richtsnoer 8 – Waardering van technische voorzieningen

1.21. In rubriek ‘D.2 Technische voorzieningen’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening beschrijven verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de significante vereenvoudigde methoden die worden gebruikt voor de berekening van technische voorzieningen, met inbegrip van de voorzieningen die worden gebruikt voor de berekening van de risicomarge.

Richtsnoer 9 – Andere schulden dan technische voorzieningen – Informatie over aggregatie naar categorie

1.22. In rubriek ‘D.3 Overige schulden’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, wanneer zij andere schulden dan technische

  • voorzieningen samenvoegen in materiële categorieën om de daarop toegepaste waarderingsgrondslag te beschrijven, rekening met de aard, de functie, het risico en de materialiteit van die schulden.
  • 1.23. Andere categorieën dan die welke worden gebruikt in de Solvabiliteit IIbalanstemplate als gedefinieerd in de technische norm met betrekking tot de templates voor het verstrekken van informatie aan de toezichthoudende autoriteiten worden alleen gebruikt als de onderneming aan de toezichthoudende autoriteit kan aantonen dat een andere presentatie duidelijker en relevanter is.

Richtsnoer 10 – Inhoud naar andere materiële schuldencategorieën dan technische voorzieningen

  • 1.24. In rubriek ‘D.3 Overige schulden’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met betrekking tot elke andere materiële schuldencategorie dan technische voorzieningen, ten minste de volgende kwantitatieve en kwalitatieve informatie:
    • a) de toegepaste grondslag voor opname en waardering, waaronder gebruikte methoden en inputs, in het bijzonder:
      • i. een algemene beschrijving van de materiële schulden die voortvloeien uit lease-overeenkomsten, waarbij informatie over financiële en operationele leases afzonderlijk worden gepresenteerd;
      • ii. de oorsprong van de opname van uitgestelde belastingverplichtingen en het bedrag en de verloopdatum, indien van toepassing, van aftrekbare tijdelijke verschillen, niet-gecompenseerde fiscale verliezen en ongebruikte fiscaal verrekenbare tegoeden waarvoor geen uitgestelde belastingverplichting is opgenomen op de balans;
      • iii. de aard van de verplichting en, indien bekend, het verwachte tijdstip van eventuele uitstromen van economische voordelen en een indicatie van onzekerheden rond het bedrag of het tijdstip van de uitstromen van economische voordelen en de manier waarop in de waardering rekening is gehouden met het afwijkingsrisico;
      • iv. de aard van de schulden voor personeelsuitkeringen en een opsplitsing van de bedragen naar de aard van de schuld en de aard van de toegezegdpensioenvorderingen, het bedrag van elke activacategorie en het percentage van elke activacategorie ten opzichte van de totale activa van het toegezegdpensioenplan, met inbegrip van restitutierechten.
    • b) eventuele veranderingen in de gebruikte grondslagen voor opname en waardering of in de schattingen tijdens de verslagperiode;
    • c) aannames en beoordelingen, ook over de toekomst en andere belangrijke bronnen van onzekerheid ten aanzien van ramingen.

E. Kapitaalbeheer

Richtsnoer 11 - Eigen vermogen – Aanvullende solvabiliteitsratio’s

1.25. In rubriek ‘E.1 Eigen vermogen’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening nemen ondernemingen, wanneer zij aanvullende ratio’s bekendmaken naast die van template S.23.01, in het VSFT ook een toelichting op over de berekening en de betekenis van de aanvullende ratio’s.

Richtsnoer 12 - Eigen vermogen – Informatie over de structuur, het bedrag, de kwaliteit en het al of niet in aanmerking komen van eigen vermogen

  • 1.26. In rubriek ‘E.1 Eigen vermogen’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met betrekking tot hun eigen vermogen ten minste de volgende informatie:

    • a) voor elk materieel eigenvermogensbestanddeel dat is vastgelegd in de artikelen 69, 72, 74, 76 en 78, evenals voor bestanddelen die door de toezichthoudende autoriteit zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 79 van de Gedelegeerde Verordening, de informatie die wordt geëist in artikel 297, lid 1, van de Gedelegeerde Verordening, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen kernvermogensbestanddelen en aanvullende eigenvermogensbestanddelen;
    • b) voor elk materieel eigenvermogensbestanddeel de mate waarin het beschikbaar en achtergesteld is, alsmede de duration en eventuele andere kenmerken die relevant zijn om de kwaliteit ervan te beoordelen;
    • c) een analyse van significante veranderingen in het eigen vermogen tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de waarde van eigenvermogensbestanddelen die gedurende het jaar zijn uitgegeven, de waarde van gedurende het jaar afgeloste instrumenten, en de mate waarin de uitgifte is gebruikt om aflossing te financieren;
    • d) met betrekking tot achtergestelde schuld, een toelichting op de verandering in de waarde ervan;
    • e) bij het verstrekken van de in artikel 297, lid 1, onder c), van de Gedelegeerde Verordening geëiste informatie, een toelichting op eventuele beperkingen op beschikbaar eigen vermogen en de gevolgen van limieten voor in aanmerking komend Tier 2-kapitaal, Tier 3-kapitaal en Tier 1 kapitaal, beperkt;
    • f) bijzonderheden over het belangrijkste verliescompensatiemechanisme dat is gebruikt om te voldoen aan artikel 71, lid 1, onder e), van de Gedelegeerde Verordening, met inbegrip van de triggergebeurtenis en de effecten ervan;
    • g) een toelichting op de belangrijkste bestanddelen van de reconciliatiereserve;
  • h) voor elk kernvermogensbestanddeel waarvoor de overgangsregelingen gelden:

    • i. de Tier waarin elk kernvermogensbestanddeel is ingedeeld en de redenen daarvoor;
    • ii. de datum van de volgende opvraging en de regelmatigheid van eventuele volgende opvragingsdata, of het feit dat er geen opvragingsdata zijn vóór het einde van de overgangsperiode.
  • i) bij het verstrekken van de in artikel 297, lid 1, onder g), van de Gedelegeerde Verordening geëiste informatie, informatie over het soort overeenkomst en de aard van het kernvermogensbestanddeel dat elk aanvullendvermogensbestanddeel zou worden wanneer het wordt opgevraagd of voldaan, met inbegrip van de Tier, en over wanneer het bestanddeel door de toezichthoudende autoriteit is goedgekeurd en, als een methode is goedgekeurd, voor hoe lang;

  • j) wanneer een methode is gebruikt om het bedrag van een materieel aanvullendvermogensbestanddeel te bepalen, beschrijven ondernemingen:

    • i. hoe de door de methode verkregen waardering in de loop van de tijd is veranderd;
    • ii. welke inputs voor de methode de belangrijkste invloed hebben gehad op deze veranderingen;
    • iii. in hoeverre het berekende bedrag wordt beïnvloed door ervaringen uit het verleden, met inbegrip van de uitkomst van eerdere opvragingen.
  • k) ten aanzien van bestanddelen die van het eigen vermogen worden afgetrokken:

    • i. het totale bedrag waarmee de activa de passiva overschrijden binnen afgezonderde fondsen en matchingopslagportefeuilles, waarbij wordt aangegeven voor welk bedrag een aanpassing wordt toegepast bij het bepalen van het beschikbare eigen vermogen;
    • ii. de omvang van en de redenen voor significante beperkingen, afgetrokken bedragen of bezwaringen van eigen vermogen.

Richtsnoer 13 - Verschillen tussen de standaardformule en gebruikte interne modellen

  • 1.27. In rubriek ‘E.4 Verschillen tussen de standaardformule en ieder gebruikt intern model’ van het VSFT als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening beschrijven verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, wanneer zij de belangrijkste verschillen tussen de gebruikte methoden en onderliggende aannames in de standaardformule en in het interne model aangeven, ten minste het volgende:
    • a) de structuur van het interne model;
    • b) aggregatiemethoden en diversificatie-effecten;

c) risico’s die niet worden gedekt door de standaarformule maar wel door het interne model.

VSFT voor een groep

A. Activiteiten en prestaties

Richtsnoer 14 - Informatie over de omvang van de groep

1.28. In rubriek ‘A.1 Activiteiten’ van het VSFT voor een groep als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening lichten deelnemende verzekeringsen herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings de materiële verschillen toe tussen de omvang van de groep als gebruikt voor de geconsolideerde jaarrekeningen en de omvang voor de geconsolideerde gegevens als bepaald overeenkomstig artikel 335 van de Gedelegeerde Verordening.

E. Kapitaalbeheer

Richtsnoer 15 – Informatie over eigen vermogen - groepen

  • 1.29. In rubriek ‘E.1 Eigen vermogen’ van het VSFT voor een groep als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings met betrekking tot het eigen vermogen van de groep ten minste de volgende informatie:
    • a) de eigenvermogensbestanddelen die zijn uitgegeven door een andere onderneming van de groep dan de deelnemende verzekerings- en herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding;
    • b) wanneer materieel eigen vermogen is uitgegeven door een gelijkwaardige verzekerings- of herverzekeringsonderneming uit een derde land die is opgenomen via de methode ‘aftrek en aggregatie’, als de lidstaat het gebruik van lokale regels toestaat, de lokale indeling in tiers van die eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van informatie over de tierstructuur, criteria en limieten;
    • c) wanneer materiële eigenvermogensbestanddelen zijn uitgegeven door een onderneming die geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming is en die is onderworpen aan andere tier-indelingsvereisten dan die van Solvabiliteit II, de herkomst en de aard van die tier-indelingsvereisten, evenals de omvang van het eigen vermogen in elke tier;
    • d) de manier waarop het eigen vermogen van de groep is berekend onder aftrek van eventuele intragroeptransacties, met inbegrip van intragroeptransacties met entiteiten uit andere financiële sectoren;
    • e) de aard van de eventuele beperkingen van de overdraagbaarheid en fungibiliteit van eigenvermogensbestanddelen in de betreffende ondernemingen.

Afdeling II – Periodieke toezichtrapportage

Activiteiten en prestaties

Richtsnoer 16 – Activiteiten

  • 1.30. In rubriek ‘A.1 Activiteiten’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening nemen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bij de informatie over hun activiteiten het volgende op:
    • a) het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdsequivalenten;
    • b) een lijst van alle verbonden ondernemingen en vestigingen.

Richtsnoer 17 – Prestaties op het gebied van verzekering

  • 1.31. In rubriek ‘A.2 Prestaties op het gebied van verzekering’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening nemen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bij de informatie over risicobeperkingstechnieken in verband met verzekeringsactiviteiten een beschrijving op van:
    • a) het effect van de risicobeperkingstechnieken op de prestaties op het gebied van verzekering;
    • b) de doeltreffendheid van de risicobeperkingstechnieken.

B. Bestuurssysteem

Richtsnoer 18 – Bestuursstructuur

  • 1.32. In rubriek ‘B.1 Algemene informatie over het bestuurssysteem’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening geven verzekeringsen herverzekeringsondernemingen een toelichting op:
    • a) de interne organisatiestructuur, met inbegrip van een gedetailleerd organisatieschema en de posities van personen die sleutelfuncties vervullen;
    • b) de wijze waarop het beloningsbeleid en de beloningspraktijken van de onderneming in overeenstemming zijn met een gedegen en doeltreffend risicobeheer en een dergelijk risicobeheer bevorderen en niet het nemen van buitensporige risico’s bevorderen.

Richtsnoer 19 - Risicomanagementsysteem

  • 1.33. In rubriek ‘B.3 Risicomanagementsystemen inclusief de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening:
    • a) leggen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit hoe de strategieën, doelstellingen, processen en rapportageprocedures inzake het risicomanagement van de onderneming voor elke afzonderlijke risicocategorie worden gedocumenteerd, bewaakt en gehandhaafd;
    • b) leggen zij in de gevallen waarin zij beschikken over een uitbestedingsovereenkomst die heeft geleid tot een beperking (geen rapportage) van de externe rating en aangewezen EKBI in de kwantitatieve rapportagetemplates, uit welke procedures zij ten uitvoer hebben gelegd om toezicht te houden op de nakoming van de vereisten op het betrokken gebied en om deze nakoming te waarborgen, en hoe wordt gegarandeerd dat bij het risicobeheer rekening wordt gehouden met alle relevante informatie die ten grondslag ligt aan de beleggingsportefeuille;
    • c) beschrijven zij de aard en de geschiktheid van de kerngegevens die worden gebruikt in interne modellen en ten minste het proces waarover zij beschikken voor de controle op de kwaliteit van gegevens.

C. Risicoprofiel

Richtsnoer 20 – Overig materieel risico

  • 1.34. In rubriek ‘C.6 Overig materieel risico’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening:

    • a) leggen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit hoe wordt gewaarborgd dat het gebruik van afgeleide instrumenten bijdraagt aan de vermindering van risico’s of een efficiënt portefeuillebeheer vergemakkelijkt;
    • b) vermelden zij bijzonderheden over eventuele materiële inaanmerkingneming van herverzekeringstechnieken en technieken voor de beperking van financiële risico’s en materiële toekomstige beheersacties die worden gebruikt in de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, evenals over de manier waarop deze voldoen aan de opnamecriteria;
    • c) geven zij, wanneer zij ‘Other’ hebben geselecteerd in de post ‘C0140 Type of underwriting model’ in template S.30.03 als vastgesteld in de technische norm betreffende de templates voor het verstrekken van informatie aan de toezichthoudende autoriteiten, een toelichting op het toegepaste verzekeringsmodel;
    • d) verstrekken zij, wanneer de onderneming behoort tot een groep, kwalitatieve en kwantitatieve informatie over significante transacties binnen de groep, waaronder informatie over:
  • i. het bedrag van de transacties;

  • ii. het bedrag van eventuele openstaande bedragen;

  • iii. relevante voorwaarden van de transacties.

D. Waardering voor solvabiliteitsdoeleinden

Richtsnoer 21 – Waardering overige activa

  • 1.35. In rubriek ‘D.1 Activa’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening leggen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in het bijzonder het volgende uit:
    • a) wanneer materiële uitgestelde belastingvorderingen worden opgenomen, hoe zij, waar van toepassing, de waarschijnlijkheid van toekomstige belastbare winsten beoordelen en wat de bedragen en verwachte tijdhorizons zijn voor de omkering van tijdelijke verschillen;
    • b) in welke gevallen zij niet in staat waren een maximumwaarde te geven voor eventuele onbeperkte garanties (op of buiten de balans) die zij hebben gerapporteerd in de kwantitatieve rapportagetemplates S.03.03 als vastgelegd in de technische uitvoeringsnorm betreffende de templates voor het verstrekken van informatie aan de toezichthoudende autoriteiten.

Richtsnoer 22 - Technische voorzieningen

  • 1.36. In rubriek ‘D.2 Technische voorzieningen’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met uitzondering van deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings informatie over technische voorzieningen, waaronder:

    • a) bijzonderheden over de relevante actuariële methoden en aannames die zijn gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen, met inbegrip van bijzonderheden over eventueel toegepaste vereenvoudigingen (waaronder die bij de berekening van de toekomstige premies en risicomarges en de toewijzing daarvan aan de afzonderlijke activiteitengebieden) en met inbegrip van een beargumentering van de evenredigheid van de gekozen methode met de aard, de schaal en de complexiteit van de risico’s van de onderneming, met opgaaf van de redenen voor eventuele materiële veranderingen in het gebruik van die methoden;
    • b) een uitleg over de contractgrenzen die op elke verschillende activiteit zijn toegepast bij de waardering van technische voorzieningen, en bijzonderheden over eventuele contracten met significante verlengingen binnen bestaande activiteiten;
  • c) bijzonderheden over de belangrijkste opties en garanties binnen de berekening van de technische voorzieningen, de betekenis van elk daarvan en de manier waarop ze zich ontwikkelen;

  • d) een overzicht van eventuele materiële veranderingen in het niveau van de technische voorzieningen sinds de laatste verslagperiode, met de redenen voor materiële veranderingen, in het bijzonder voor materiële veranderingen in de aannames;

  • e) materiële veranderingen in afkooppercentages;

  • f) bijzonderheden over de homogene risicogroepen die worden gebruikt voor de berekening van de technische voorzieningen;

  • g) eventuele aanbevelingen voor verbeteringen in de interne procedures met betrekking tot gegevens die relevant worden geacht;

  • h) informatie over eventuele significante tekortkomingen en aanpassingen van gegevens;

  • i) een beschrijving van de technische voorzieningen die als een geheel zijn berekend;

  • j) een beschrijving van de opsplitsing voor contracten van materieel belang, indien hiervan gebruik werd gemaakt;

  • k) bijzonderheden over de economische-scenariogenerator, waaronder een uitleg van de manier waarop consistentie met de risicovrije rente is bereikt en welke volatiliteitsaannames zijn gekozen;

  • l) beschrijving van de beoordelingen als bedoeld in artikel 44, lid 2, onder a), b) en c), van de richtlijn Solvabiliteit II. Wanneer verlaging van de matchingopslag of de volatiliteitsaanpassing tot nul ertoe zou leiden dat niet wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, een analyse van de maatregelen die de onderneming in een dergelijke situatie zou kunnen treffen om het niveau van het in aanmerking komende eigen vermogen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op niveau te brengen of om het risicoprofiel te verlagen, zodat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste;

  • m) bijzonderheden over de gehanteerde aanpak voor de berekening van materiële verhaalbare herverzekeringsbedragen.

Richtsnoer 23 – Posten buiten de balans

1.37. In rubriek ‘D.1. Activa’ of ‘D.3 Overige schulden’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening nemen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een beschrijving op van eventuele andere materiële activa of schulden buiten de balans die niet worden gerapporteerd in template S.03.01 als gedefinieerd in de technische uitvoeringsnorm betreffende de templates voor het verstrekken van informatie aan de toezichthoudende autoriteiten.

E. Kapitaalbeheer

Richtsnoer 24 – Uitkeringen aan aandeelhouders

1.38. In rubriek ‘E.1 Eigen vermogen’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bijzonderheden over het bedrag van de uitkeringen aan aandeelhouders.

Richtsnoer 25 – Vereenvoudigde berekening in de standaardformule

1.39. In rubriek ‘E.2 Solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening leggen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, indien dit van materieel belang is, uit hoe het gebruik van een vereenvoudigde berekening in de standaardformule voor het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt gerechtvaardigd door de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan de onderneming blootstaat.

PTV voor een groep

B. Bestuurssysteem

Richtsnoer 26 – Opstelling van geconsolideerde gegevens

  • 1.40. In rubriek ‘B.1 Algemene informatie over het bestuurssysteem’ van het PTV voor een groep als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings ten minste informatie over:
    • a) hoe de geconsolideerde, geaggregeerde of gecombineerde gegevens (afhankelijk van de gebruikte methode) van de groep zijn opgesteld en over welke processen zij daarvoor beschikken;
    • b) de grondslagen, methoden en aannames die op groepsniveau zijn gebruikt voor de waardering ten behoeve van de solvabiliteit van de activa en schulden van de groep anders dan technische voorzieningen, in het bijzonder voor wat betreft de waardering van de bijdragen aan groepsgegevens van ondernemingen uit derde landen en nietgereglementeerde ondernemingen.

C. Risicoprofiel

Richtsnoer 27 - Eventuele overige materiële informatie over de activiteiten

1.41. In rubriek ‘C.6 Overig materieel risico’ van het PTV voor een groep als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings informatie over de voorwaarden voor de significante intragroeptransacties, waaronder informatie over:

  • a) commerciële redenen voor de verrichting of transactie;
  • b) de risico’s die worden gedragen door elke partij in de verrichting of transactie en de beloningen die voor elk van hen beschikbaar zijn;
  • c) eventuele specifieke aspecten van de verrichting of transactie die nadelig zijn (of kunnen worden) voor een van de partijen;
  • d) eventuele belangenconflicten die zich mogelijk hebben voorgedaan bij het onderhandelen over en uitvoeren van de verrichting of transactie, en eventuele potentiële belangenconflicten die zich in de toekomst zouden kunnen voordoen;
  • e) als de transactie in termen van tijdstip, functie en planning is gekoppeld aan andere verrichtingen of transacties, het afzonderlijke effect van elke verrichting of transactie en het totale netto-effect van de gekoppelde verrichtingen en transacties op elke partij in de verrichting of transactie en op de groep;
  • f) de mate waarin de verrichting of transactie afhangt van een liquidatie en omstandigheden waarin de verrichting of de transactie kan worden uitgevoerd.

Richtsnoer 28 - Risicoprofiel

  • 1.42. In rubriek ‘C.6 Overig materieel risico’ van het PTV van een groep als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings kwalitatieve en kwantitatieve informatie over een eventuele significante risicoconcentratie op het niveau van de groep. waaronder:

    • a) een beschrijving van het risico of de risico’s;
    • b) de waarschijnlijkheid dat het risico werkelijkheid wordt;
    • c) acties ter beperking van het risico, met inbegrip van een beoordeling van een worstcasescenario in het geval van niet-betaling van het uitstaande bedrag;
    • d) analyse en kwantificering van de risicoconcentraties naar rechtspersonen;
    • e) consistentie met het bedrijfsmodel, de risicobereidheid en de strategie van de groep, met inbegrip van naleving van de door het interne controlesysteem gestelde limieten en de risicobeheersprocessen van de groep;
    • f) of verliezen als gevolg van risicoconcentraties de totale winstgevendheid of de kortetermijnliquiditeit van de groep beïnvloeden;
  • g) relatie, correlatie en interactie tussen risicofactoren binnen de groep en eventuele potentiële spill-overeffecten van risicoconcentraties op een specifiek gebied;

  • h) kwantitatieve informatie over de risicoconcentratie en het effect op de onderneming en de groep, evenals het effect van herverzekeringscontracten;

  • i) of de betrokken post een actief, een schuld of een post buiten de balans betreft.

D. Waardering voor solvabiliteitsdoeleinden

Richtsnoer 29 - Technische voorzieningen

  • 1.43. In rubriek ‘D.2 Technische voorzieningen’ van het PTV als vastgelegd in bijlage XX van de Gedelegeerde Verordening verstrekken deelnemende verzekeringsen herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings informatie over technische voorzieningen van de groep, waaronder:
    • a) informatie over eventuele materiële aanpassingen van de individuele technische voorzieningen, bijvoorbeeld eliminatie van intragroeptransacties, voor de berekening van de technische voorzieningen van de groep;
    • b) wanneer de groep de langetermijngarantiemaatregelen of de overgangsmaatregelen toepast, informatie over de manier waarop de aanpassingen op groepsniveau van invloed zijn op de maatregelen die op individueel niveau worden gebruikt;
    • c) informatie over de grondslagen, methoden en aannames die worden gebruikt voor de berekening van de bijdrage van technische voorzieningen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit derde landen, wanneer Solvabiliteit II-regels worden toegepast of andere regels van een gelijkwaardig stelsel, indien toegestaan.

Afdeling III - Toezichtrapportage na van tevoren omschreven gebeurtenissen

Richtsnoer 30 - Identificatie van tevoren omschreven gebeurtenissen en trigger voor rapportage hiervan

1.44. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen stellen de toezichthoudende autoriteit onmiddellijk schriftelijk op de hoogte wanneer zich gebeurtenissen voordoen die redelijkerwijs zouden kunnen leiden of al hebben geleid tot materiële veranderingen in de activiteiten en prestaties, het bestuurssysteem, het risicoprofiel en de solvabiliteit en financiële positie van de onderneming (hierna ’tevoren omschreven gebeurtenis’). Bij twijfel raadplegen verzekeringsen herverzekeringsondernemingen de toezichthoudende autoriteiten over de vraag of een bepaalde gebeurtenis moet worden aangemerkt als een van tevoren omschreven gebeurtenis.

Rubriek IV - Processen voor openbaarmaking en toezichtrapportage

Richtsnoer 31 - Openbaarmakingsbeleid

  • 1.45. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hebben een openbaarmakingsbeleid dat voldoet aan richtsnoer 7 van de Richtsnoeren voor het governancesysteem, en waarin bovendien het volgende is opgenomen:
    • a) identificatie van de personen/functies die verantwoordelijk zijn voor het opstellen en toetsen van de openbaargemaakte informatie;
    • b) de processen voor het voldoen aan de openbaarmakingsvereisten;
    • c) de processen voor de toetsing en goedkeuring van het VSFT door het BBTO;
    • d) identificatie van de al in het publieke domein beschikbare informatie waarvan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming meent dat deze in aard en omvang gelijkwaardig is aan de informatievereisten in het VSFT;
    • e) specifieke informatie die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voornemens is niet openbaar te maken in de omstandigheden die worden beschreven in artikel 53, lid 1, van de richtlijn Solvabiliteit II;
    • f) aanvullende informatie die de onderneming heeft besloten vrijwillig openbaar te maken overeenkomstig artikel 54, lid 2, van de richtlijn Solvabiliteit II.

Richtsnoer 32 - VSFT - Niet-openbaarmaking van informatie

1.46. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen gaan geen contractuele verbintenis aan die hen verplicht tot geheimhouding of vertrouwelijke behandeling van informatie die in het VSFT openbaar moet worden gemaakt.

Richtsnoer 33 – Formaat van kwantitatieve rapportagetemplates

1.47. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen houden, wanneer zij informatie rapporteren die deel uitmaakt van de kwantitatieve rapportagetemplates, rekening met het door Eiopa gepubliceerde datapuntenmodel4 .

Richtsnoer 34 – Validering

1.48. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarborgen dat de gegevens die zij verstrekken in de kwantitatieve rapportagetemplates, voldoen aan de door Eiopa gepubliceerde valideringsregels5 .

4 5 https://eiopa.europa.eu/regulation-supervision/insurance/reporting-format

Richtsnoer 35 - PTV – Verwijzingen naar andere documenten

  • 1.49. Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in het PTV verwijzen naar andere documenten die moeten worden verstrekt aan hun toezichthoudende autoriteiten, leiden die verwijzingen rechtstreeks naar de informatie zelf, en niet naar een algemeen document.
  • 1.50. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen nemen in het PTV geen verwijzingen op naar andere documenten die niet hoeven te worden verstrekt aan hun toezichthoudende autoriteiten.

Richtsnoer 36 – Beleid voor de toezichtrapportage

  • 1.51. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarborgen dat de toezichtrapportage voldoet aan richtsnoer 7 van de Richtsnoeren voor het governancesysteem en dat daarin bovendien het volgende is opgenomen:
    • a) identificatie van personen/functies die verantwoordelijk zijn voor het opstellen en toetsen van alle rapportages aan de toezichthoudende autoriteiten;
    • b) de procedures en tijdlijnen voor het voldoen aan de verschillende rapportagevereisten en de toetsing en goedkeuring daarvan;
    • c) uitleg van de processen en controles om de betrouwbaarheid, volledigheid en consistentie van de verstrekte gegevens te waarborgen.

Richtsnoer 37 – Goedkeuring van aan de toezichthoudende autoriteiten verstrekte informatie

  • 1.52. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarborgen dat de overgangsinformatie, het PTV en de templates voor jaarlijkse kwantitatieve rapportage door het BBTO zijn goedgekeurd voordat ze bij de betrokken toezichthoudende autoriteit worden ingediend.
  • 1.53. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarborgen dat de templates voor driemaandelijkse kwantitatieve rapportage zijn goedgekeurd door het BBTO of door personen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daadwerkelijk besturen voordat ze bij de betrokken toezichthoudende autoriteit worden ingediend.

Richtsnoer 38– Indiening van het eerste PTV

1.54. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dienen het periodieke toezichtverslag voor het eerst in met betrekking tot hun boekjaar dat eindigt op of na 30 juni 2016, maar vóór 1 januari 2017.

Richtsnoer 39 – Overgangsinformatie

  • 1.55. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verstrekken een toelichting op de belangrijkste verschillen tussen de cijfers die zijn gerapporteerd in de beginwaardering overeenkomstig Solvabiliteit II en die welke is berekend volgens het vorige solvabiliteitsstelsel als bedoeld in artikel 314 van de Gedelegeerde Verordening, in een elektronisch leesbaar formaat.
  • 1.56. Deze narratieve informatie volgt de structuur van de belangrijkste categorieën activa en passiva als vastgelegd voor de Solvabiliteit II-balans die is vastgelegd in de technische norm voor de templates voor het verstrekken van informatie aan de toezichthoudende autoriteiten.

Nalevings- en rapportageregels

  • 1.57. Dit document bevat richtsnoeren die zijn uitgebracht uit hoofde van artikel 16 van de Eiopa-verordening. Ingevolge artikel 16, lid 3, van de Eiopa-verordening moeten bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste inspannen om de richtsnoeren en aanbevelingen na te leven.
  • 1.58. Bevoegde autoriteiten die voldoen of van plan zijn te voldoen aan deze richtsnoeren, dienen deze op een passende manier op te nemen in hun wetgevende of toezichthoudende kader.
  • 1.59. Bevoegde autoriteiten bevestigen Eiopa binnen twee maanden na publicatie van de vertaalde versies of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn hieraan te voldoen, of geven anders redenen voor niet-naleving op.
  • 1.60. Indien op deze uiterste datum geen antwoord is ontvangen, zullen de bevoegde autoriteiten worden beschouwd als autoriteiten die niet voldoen aan de rapportageverplichtingen, en als zodanig worden geregistreerd.

Slotbepaling inzake herzieningen

1.61. Deze richtsnoeren kunnen door Eiopa worden herzien.