Richtsnoeren voor het governancesysteem
Download PDFEIOPA-BoS-14/253 NL
Richtsnoeren voor het governancesysteem
Richtsnoeren voor het governancesysteem
1. Inleiding
- 1.1. Ingevolge artikel 16 van Verordening (EU) No 1094/2010 van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (hierna: “Eiopa-verordening” of “de Verordening”)1 vaardigt Eiopa aan de bevoegde nationale autoriteiten gerichte richtsnoeren uit over de te volgen werkwijze in de voorbereidingsfase in aanloop naar de toepassing van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (hierna: Solvabiliteit II)2 .
- 1.2. Deze richtsnoeren zijn gebaseerd op de artikelen 40 tot en met 49, artikel 93, artikel 132 en artikel 246 van Solvabiliteit II en voor de artikelen 258 tot en met 275 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG (‘Gedelegeerde Verordening 2015/35 van de Commissie’)3 .
- 1.3. De vereisten ten aanzien van het governancesysteem hebben als doel te voorzien in een prudente en gezonde bedrijfsvoering van ondernemingen, zonder hen onnodig te beperken in de keuze van hun eigen organisatiestructuur, mits zij een passende scheiding van taken tentoonspreiden.
- 1.4. In ieder geval worden de vier functies die deel uitmaken van het governancesysteem, te weten de risicomanagementfunctie, de compliancefunctie, de actuariële functie en de interne-auditfunctie, beschouwd als sleutelfuncties en dientengevolge ook als belangrijke of kritieke functies. Verder worden personen beschouwd als personen met sleutelfuncties als zij functies uitoefenen die van specifiek belang zijn voor de onderneming in het licht van haar activiteiten en organisatie. Deze aanvullende sleutelfuncties, zo die er zijn, worden vastgesteld door de onderneming, maar de beslissing of dergelijke functies al dan niet als sleutelfuncties moeten worden beschouwd, kan worden aangevochten door de toezichthoudende autoriteit.
- 1.5. Deze richtsnoeren bevatten nadere bijzonderheden over een aantal kwesties betreffende beloningsbeleid, waaronder de samenstelling van de remuneratiecommissie.
- 1.6. De deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten gelden voor alle personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of die andere sleutelfuncties hebben, om te garanderen dat alle personen die relevante functies in de
1 PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48–83.
2 PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1-155.
3 PB L 12 van 17.01.2015, biz. 1.
onderneming hebben, naar behoren gekwalificeerd zijn. De reikwijdte van de vereisten is dusdanig dat wordt vermeden dat er hiaten ontstaan waardoor voor de onderneming belangrijke personen niet gedekt zouden zijn, terwijl dat tegelijkertijd inhoudt dat er een aanzienlijke overlap kan zijn tussen personen van het hoger management die worden beschouwd als personen die de onderneming daadwerkelijk besturen, en andere personen die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties.
-
1.7. De kennisgevingsverplichtingen gelden alleen voor personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties, en dus niet voor personen die een sleutelfunctie hebben of uitvoeren. In het geval van uitbesteding van een sleutelfunctie of van een deel van een functie dat als zeer belangrijk wordt beschouwd, wordt degene die toezicht houdt op de uitbesteding bij de onderneming, beschouwd als de verantwoordelijke persoon.
-
1.8. De richtsnoeren inzake risicomanagement hebben als uitgangspunt dat een adequaat risicomanagementsysteem een effectieve en efficiënte reeks geïntegreerde maatregelen vereist die moeten passen bij de organisatie en operationele activiteiten van de onderneming. Er bestaat niet zoiets als één enkel risicomanagementsysteem dat geschikt is voor alle ondernemingen; het systeem moet worden afgestemd op de individuele onderneming.
-
1.9. Hoewel de eigen beoordeling van de risico’s en de solvabiliteit (hierna ‘ORSA’, own risk and solvency assessment) deel uitmaakt van het risicomanagementsysteem, worden de overeenkomstige richtsnoeren apart daarvan uiteengezet.
-
1.10. Ofschoon in het kader van de verantwoordelijkheden van de risicomanagementfunctie interne modellen worden genoemd, richten de richtsnoeren voor het governancesysteem zich over het geheel genomen niet op specifieke met interne modellen samenhangende kwesties.
-
1.11. Artikel 132 van Solvabiliteit II introduceert het ‘prudent person’-beginsel en bevat bepalingen over de manier waarop ondernemingen hun activa zouden moeten beleggen. De afwezigheid van wettelijk vastgestelde limieten op beleggingen houdt niet in dat ondernemingen beleggingsbeslissingen kunnen nemen zonder de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en rekening te houden met de belangen van verzekeringnemers. In Solvabiliteit II en Gedelegeerde Verordening 2015/35 van de Commissie worden enkele van de belangrijkste aspecten van het ‘prudent person’-beginsel, zoals afgestemd beheer van activa en passiva, beleggingen in afgeleide instrumenten, beheer van het liquiditeitsrisico en beheer van het concentratierisico, uitvoerig behandeld. Deze richtsnoeren hebben dan ook niet als doel om deze aspecten verder uit te werken, maar om aandacht te besteden aan de overige aspecten van het ‘prudent person’-beginsel.
-
1.12. Wat de actuariële functie aangaat, richten deze richtsnoeren zich op wat moet worden gedaan door de actuariële functie in plaats van op hoe dit moet worden uitgevoerd. Aangezien de actuariële functie ten doel heeft een zekere mate van kwaliteitsborging te bieden via deskundig technisch actuarieel advies, is het des te belangrijker om specifieke technische richtsnoeren te geven voor de taken, verantwoordelijkheden en andere aspecten van de actuariële functie.
-
1.13. Momenteel bestaat in sommige lidstaten de ‘verantwoordelijke/aangewezen actuaris’. Omdat Solvabiliteit II niet voorziet in de ‘verantwoordelijke/aangewezen actuaris’, is het aan de betrokken toezichthoudende autoriteiten om te bepalen of ze de ‘verantwoordelijke/aangewezen actuaris’ willen handhaven, en hoe deze zich verhoudt tot de actuariële functie. Op deze kwestie wordt in deze richtsnoeren echter niet ingegaan.
-
1.14. De richtsnoeren voor uitbesteding zijn gebaseerd op het beginsel dat een onderneming moet garanderen dat zij volledig verantwoordelijk blijft voor het nakomen van al haar verplichtingen wanneer zij een functie of activiteiten uitbesteedt. Er zijn met name strenge maatregelen die een onderneming moet nemen als zij een kritieke of belangrijke functie of activiteit uitbesteedt. Zo moet een onderneming passende aandacht besteden aan de inhoud van de schriftelijke overeenkomst met de dienstverlener.
-
1.15. Intragroepuitbesteding verschilt niet noodzakelijkerwijs van externe uitbesteding. Het kan een flexibeler selectieproces mogelijk maken, maar het mag niet worden beschouwd als iets dat automatisch minder aandacht en toezicht vereist dan externe uitbesteding.
-
1.16. De richtsnoeren zijn zowel op individuele ondernemingen als, mutatis mutandis, op groepsniveau toe te passen. Daarnaast zijn voor groepen groepsspecifieke richtsnoeren toe te passen.
-
1.17. Aan governancevereisten op groepsniveau wordt voldaan als een robuust governancesysteem aanwezig is dat wordt toegepast op één coherente economische entiteit (holistisch perspectief) die alle entiteiten van de groep omvat.
-
1.18. Solvabiliteit II vereist dat alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep beschikken over een risicomanagementsysteem en een systeem van interne controle en dat dit vereiste op een consistente manier in de groep wordt toegepast. Vanuit het perspectief van risicomanagement en governance op groepsniveau moeten de groep en de groepstoezichthouder echter rekening houden met de risico’s die voortvloeien uit andere entiteiten die deel uitmaken van de groep.
-
1.19. Wanneer de richtsnoeren verwijzen naar entiteiten die deel uitmaken van de groep, verwijzen zij in het algemeen naar verzekerings- en
-
herverzekeringsondernemingen, maar ook naar alle andere entiteiten die deel uitmaken van de groep.
-
1.20. De governancevereisten op groepsniveau houden rekening met de corporategovernanceverantwoordelijkheden van zowel het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan op groepsniveau, dat wil zeggen, het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de deelnemende verzekeringsof herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, als het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van rechtspersonen die deel uitmaken van de groep.
-
1.21. In deze richtsnoeren gelden de volgende definities:
- ‘personen die de onderneming daadwerkelijk besturen’: leden van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan, rekening houdend met nationale wetgeving, evenals leden van het hoger management. Tot laatstgenoemden behoren personen die in dienst zijn van de onderneming en die verantwoordelijk zijn voor besluitvorming op hoog niveau en voor de tenuitvoerlegging van de strategieën die zijn ontwikkeld en de beleidsmaatregelen die zijn goedgekeurd door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan;
- ‘personen die andere sleutelfuncties vervullen’: alle personen die aan een sleutelfunctie gerelateerde taken uitvoeren;
- ‘personen die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties’: de personen die verantwoordelijk zijn voor een sleutelfunctie, in tegenstelling tot personen die een sleutelfunctie bezetten, uitoefenen of uitvoeren.
-
1.22. Termen die niet zijn gedefinieerd in deze richtsnoeren, hebben de betekenis die is vastgelegd in de rechtshandelingen waarnaar in de inleiding is verwezen.
-
1.23. Deze richtsnoeren gelden vanaf 1 januari 2016.
Afdeling 1: Algemene governancevereisten
Richtsnoer 1 - Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan (AMSB)
- 1.24. Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de onderneming (hierna:“AMSB”) moet een passende interactie hebben met de door dat orgaan ingestelde comités, alsook met het senior management en met personen die binnen de onderneming een sleutelfunctie vervullen, waarbij deze proactief om informatie wordt gevraagd en waarbij die informatie zo nodig op de proef wordt gesteld.
- 1.25. Op groepsniveau heeft het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding een passende wisselwerking met het AMSB van alle entiteiten binnen de groep die een materiële impact hebben op het risicoprofiel van de groep, waarbij dit orgaan proactief informatie opvraagt en besluiten ter discussie stelt in de zaken die van invloed kunnen zijn op de groep.
Richtsnoer 2 – Organisatorische en operationele structuur
- 1.26. De onderneming moet beschikken over een organisatorische en operationele structuur gericht op het ondersteunen van haar strategische doelstellingen en activiteiten. Wanneer zich veranderingen voordoen in de strategische doelstellingen of activiteiten van de onderneming of in het voor de onderneming relevante ondernemingsklimaat, moeten dergelijke structuren binnen een redelijke termijn aan die veranderingen kunnen worden aangepast.
- 1.27. Op groepsniveau moet het AMSB van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding beoordelen welke gevolgen veranderingen in de structuur van de groep hebben voor de duurzame financiële positie van de betrokken entiteiten en tijdig de noodzakelijke aanpassingen doorvoert.
- 1.28. Om ervoor te zorgen dat passende maatregelen worden genomen, moet het AMSB van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding toereikende kennis hebben van de organisatorische inrichting van de groep, het bedrijfsmodel van de verschillende entiteiten, de banden en relaties die tussen de entiteiten bestaan, en de risico’s die voortvloeien uit de structuur van de groep.
Richtsnoer 3 – Belangrijke besluiten
1.29. De onderneming zorgt ervoor dat bij elk belangrijk besluit van de onderneming ten minste twee personen die de onderneming daadwerkelijk besturen, betrokken zijn voordat het besluit wordt uitgevoerd.
Richtsnoer 4 - Documenteren van besluiten die op het niveau van het AMSB worden genomen
1.30. De onderneming moet besluiten die worden genomen op het niveau van het AMSB naar behoren documenteren. Uit deze besluitvormingsdocumenten moet blijken hoe de informatie uit het riskmanagementsysteem in de besluitvorming is meegenomen.
Richtsnoer 5 - Toewijzing en scheiding van taken en verantwoordelijkheden
1.31. De onderneming moet ervoor zorgen dat de taken en verantwoordelijkheden worden toegewezen, gescheiden en gecoördineerd overeenkomstig het beleid van de onderneming en dat deze tot uitdrukking komen in de omschrijvingen van taken en verantwoordelijkheden. De onderneming moet ervoor zorgen dat alle belangrijke taken worden gedekt en dat onnodige overlappingen worden vermeden. Effectieve samenwerking tussen medewerkers moet worden bevorderd.
Richtsnoer 6 - Interne evaluatie van het governancesysteem
- 1.32. Het AMSB van de onderneming moet de reikwijdte en frequentie van de interne evaluaties van het governancesysteem bepalen en daarbij rekening houden met de aard, omvang en complexiteit van de activiteiten, zowel op het niveau van individuele ondernemingen als op het niveau van de groep, alsook met de structuur van de groep.
- 1.33. De onderneming moet erop toezien dat de reikwijdte, bevindingen en conclusies van de evaluatie naar behoren worden gedocumenteerd en aan het AMSB worden gerapporteerd. Adequate terugkoppeling is nodig om ervoor te zorgen dat vervolgacties worden genomen en vastgelegd.
Richtsnoer 7 – Beleidslijnen
-
1.34. De onderneming moet erop toezien dat alle als onderdeel van het governancesysteem vereiste beleidslijnen zowel onderling alsook met de ondernemingsstrategie met elkaar in overeenstemming brengen. In elke beleidslijn moet een duidelijke omschrijving worden gegeven van ten minste:
- a) de met de beleidslijnen nagestreefde doelstellingen;
- b) de taken die moeten worden uitgevoerd en de persoon of functie die daarvoor verantwoordelijk is;
- c) de processen en rapportageprocedures die moeten worden toegepast;
- d) de verplichting van de desbetreffende organisatorische eenheden om de personen die verantwoordelijk zijn voor de riskmanagement-, de interneaudit-, de compliance- en de actuariële functie, in kennis te stellen van alle relevante feiten die nodig zijn voor de uitvoering van hun taken.
-
1.35. De onderneming moet erop toezien dat in schriftelijk vastgelegde beleidslijnen waarin de sleutelfuncties aan de orde komen, ook wordt ingegaan op de positie
-
van de personen die de betreffende functies vervullen, hun rechten en bevoegdheden.
-
1.36. De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten ervoor zorgen dat beleid consequent wordt toegepast in de hele groep. Daarnaast zorgen zij ervoor dat het beleid van de entiteiten van de groep strookt met het beleid van de groep.
Richtsnoer 8 - Noodplannen
1.37. Voor die gebieden waarvoor zij zichzelf kwetsbaar acht, moet de onderneming de materiele risicos identificeren en noodplannen opstellen en deze noodplannen regelmatig evalueren, bijwerken en testen.
Afdeling 2: Beloning
Richtsnoer 9 - Toepassingsgebied van het beloningsbeleid
- 1.38 De onderneming moet in haar beloningsbeleid in ieder geval waarborgen dat:
- a) de toekenning van beloningen het vermogen van de onderneming om een toereikende kapitaalbasis in stand te houden, niet in gevaar brengt;
- b) beloningsovereenkomsten met dienstverleners niet in de hand werken dat risico’s worden genomen die excessief zijn met het oog op de risicomanagementstrategie van de onderneming.
- 1.39 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten voor de hele groep een beloningsbeleid vaststellen en dit voor de hele groep ten uitvoer leggen. Dit beleid moet rekening houden met de complexiteit en structuren van de groep teneinde voor de hele groep een consistent beleid vast te stellen, te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen dat in overeenstemming is met de risicomanagementstrategieën van de groep. Het beleid moet worden toegepast op alle relevante personen op groepsniveau en op het niveau van individuele entiteiten.
- 1.40 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten hetvolgende waarborgen:
- a) een algehele consistentie van het beloningsbeleid van de groep, door ervoor te zorgen dat dit voldoet aan de wettelijke vereisten van ondernemingen die deel uitmaken van de groep en door toe te zien op de juiste toepassing daarvan;
- b) dat alle ondernemingen die tot de groep behoren, voldoen aan de vereisten met betrekking tot beloningen;
- c) dat materiële risico’s op groepsniveau die in verband staan met beloningskwesties in de groepsentiteiten worden beheerd.
Richtsnoer 10 - Remuneratiecommissie
1.41 De onderneming moet ervoor zorgen dat de remuneratiecommissie zodanig is samengesteld dat zij in staat is zich een competent en onafhankelijk oordeel te vormen over het beloningsbeleid en het toezicht daarop. Als er geen remuneratiecommissie wordt ingesteld, neemt het AMSB de taken op zich die anders zouden zijn toegewezen aan een remuneratiecommissie en zulks op een manier die belangenconflicten vermijdt.
Afdeling 3: Deskundig en betrouwbaar
Richtsnoer 11 – Deskundigheidsvereisten
- 1.42 De onderneming moet ervoor zorgen dat personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, ‘deskundig’ zijn, en dat daarbij rekening wordt gehouden met de respectieve taken die aan individuele personen zijn toegekend, een en ander om passende diversiteit in kwalificaties, kennis en relevante ervaring te waarborgen, zodat de onderneming professioneel wordt bestuurd en er op professionele wijze toezicht op wordt gehouden.
- 1.43 Het AMSB moet gezamenlijk beschikken over geschikte kwalificaties, ervaring en kennis met betrekking tot ten minste:
- a) verzekerings- en financiële markten;
- b) ondernemingsstrategieën en bedrijfsmodellen;
- c) governancesysteem;
- d) financiële en actuariële analyses;
- e) regelgevingskader en -vereisten.
Richtsnoer 12 - Betrouwbaarheidsvereisten
1.44 Bij de beoordeling of een persoon ‘betrouwbaar’ is, moet de onderneming erop letten dat de verjaringstermijn van een eventueel misdrijf of een eventuele overtreding op basis van de nationale wetgeving is verstreken.
Richtsnoer 13 - Beleidslijnen en procedures inzake de deskundigheid en betrouwbaarheid
-
1.45 De onderneming moet beschikken over een beleidslijn inzake deskundigheidsen betrouwbaarheidsvereisten waarin ten minste het volgende wordt beschreven:
- a) de procedure voor het vaststellen van de posities waarvoor kennisgeving vereist is en voor het in kennis stellen van de toezichthoudende autoriteit;
- b) de procedure voor het beoordelen van de deskundigheid en betrouwbaarheid van personen die de onderneming daadwerkelijk
-
besturen of andere sleutelfuncties vervullen, zowel bij de selectie voor de specifieke positie als doorlopend tijdens het dienstverband;
-
c) de situaties die aanleiding geven voor een herbeoordeling van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten;
-
d) een beschrijving van de procedure voor het beoordelen van de vaardigheden, kennis, deskundigheid en persoonlijke integriteit van overig relevant personeel dat niet onderworpen is aan de vereisten van artikel 42 van Solvabiliteit II, volgens interne normen, zowel bij de selectie voor de specifieke positie als doorlopend tijdens het dienstverband.
Richtsnoer 14 - Uitbesteding van sleutelfuncties
- 1.46 De onderneming moet de deskundigheids- en betrouwbaarheidsprocedures toepassen bij de beoordeling van personen die door een dienstverlener of subdienstverlener te werk zijn gesteld voor het uitvoeren van een uitbestede sleutelfunctie.
- 1.47 De onderneming moet binnen de onderneming een persoon aanstellen met algehele verantwoordelijkheid voor de uitbestede sleutelfunctie en erop toezien dat die persoon deskundig en betrouwbaar is en beschikt over voldoende kennis van en ervaring met de uitbestede sleutelfunctie om de prestaties en resultaten van de dienstverlener op de proef te kunnen stellen. Deze aangewezen persoon moet worden beschouwd als de persoon die verantwoordelijk is voor de sleutelfunctie overeenkomstig artikel 42, lid 2, van Solvabiliteit II, waarvoor kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteit nodig is.
Richtsnoer 15 – Kennisgeving
1.48 De toezichthoudende autoriteit moet van de onderneming minimaal verlangen dat de informatie opgenomen in de Technische bijlage4 door middel van een kennisgeving aan haar wordt voorgelegd.
Richtsnoer 16 - Toetsing van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten door de toezichthoudende autoriteit
1.49 De toezichthoudende autoriteit moet de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten van de personen waarvoor kennisgevingsvereisten gelden beoordelen en de onderneming hier over feedback geven binnen een passende termijn na de ontvangst van de volledige kennisgeving.
Afdeling 4: Riskmanagement
Richtsnoer 17 - Rol van het AMSB binnen het riskmanagementsysteem
1.50 Het AMSB moet de eindverantwoordelijkheid hebben voor de effectiviteit van het riskmanagementsysteem, het vaststellen van de risicobereidheid en de
4 De Technische bijlage is beschikbaar op de website van Eiopa onder Publications/EIOPA_Guidelines
- algemene risicotolerantielimieten van de onderneming, en voor het goedkeuren van de overkoepelende strategieën en beleidslijnen voor riskmanagement.
- 1.51 Het AMSB van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moet erop toezien dat het riskmanagementsysteem van de hele groep effectief is. Dit riskmanagementsysteem van de groep moet ten minste hetvolgende omvatten:
- a) de strategische besluiten en beleidslijnen betreffende riskmanagement op groepsniveau;
- b) de definitie van de risicobereidheid en algemene risicotolerantielimieten van de groep;
- c) het onderkennen, meten, beheren, monitoren en rapporteren van risico’s op groepsniveau.
- 1.52 Het AMSB van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moet ervoor zorgen dat bedoelde strategische besluiten en beleidslijnen in overeenstemming zijn met de groepsstructuur, de omvang en de specifieke kenmerken van de entiteiten die deel uitmaken van de groep.
Richtsnoer 18 - Beleidslijn inzake riskmanagement
- 1.53 De onderneming moet een beleidslijn inzake riskmanagement vaststellen die ten minste:
- a) de risicocategorieën en de methoden voor het meten van risico’s definieert;
- b) omschrijft hoe de onderneming elke relevante risicocategorie, elk risicogebied en elke potentiële aggregatie van risico’s beheert;
- c) het verband beschrijft tussen de beoordeling van de algehele solvabiliteitsbehoeften, die is vastgesteld bij de prospectieve beoordeling van de eigen risico’s van de onderneming (op basis van de ORSAprincipes), de wettelijke kapitaalvereisten en de risicotolerantielimieten van de onderneming;
- d) de risicotolerantielimieten voor alle relevante risicocategorieën vaststelt, overeenkomstig de algehele risicobereidheid van de onderneming;
- e) de frequentie en inhoud beschrijft van regelmatige stresstests en de situaties beschrijft die een ad-hocstresstest rechtvaardigen.
Richtsnoer 19 - Riskmanagementfunctie: taken
1.54 De onderneming moet de riskmanagementfunctie verplichten om aan het AMSB te rapporteren over risico’s die als potentieel materieel zijn geïdentificeerd. De riskmanagementfunctie moet ook rapporteren over andere specifieke risicogebieden, zowel op eigen initiatief als op verzoek van het AMSB.
Richtsnoer 20 – Beleidslijn met betrekking tot het beheer van verzekeringstechnisch risico en reserveringsrisico
- 1.55 De onderneming moet in de beleidslijn voor riskmanagement ten aanzien van het verzekeringstechnische risico en het reserveringsrisico ten minste het volgende opnemen:
- a) de verschillende soorten verzekeringsactiviteiten die de onderneming uitoefent en de kenmerken ervan, zoals het soort verzekeringsrisico dat de onderneming bereid is te aanvaarden;
- b) de wijze waarop de toereikendheid van de premie-inkomsten ter dekking van verwachte schaden en kosten wordt gewaarborgd;
- c) het identificeren van de risico’s die voortvloeien uit de verzekeringsverplichtingen van de onderneming, met inbegrip van ingebouwde opties en gegarandeerde afkoopwaarden die in haar producten zijn opgenomen;
- d) hoe de onderneming bij het proces van het ontwikkelen van een nieuw verzekeringsproduct en de berekening van premies rekening houdt met beleggingsbeperkingen;
- e) hoe de onderneming bij het proces van het ontwikkelen van een nieuw verzekeringsproduct en de berekening van premies rekening houdt met herverzekering of andere risicolimiteringstechnieken.
Richtsnoer 21 – Beleidslijn met betrekking tot het beheer van operationeel risico
-
1.56 De onderneming moet in haar riskmanagementbeleidslijn ten aanzien van operationele risico’s ten minste het volgende opnemen:
- a) het vaststellen van de operationele risico’s waaraan de onderneming is of kan worden blootgesteld en de beoordeling van de wijze waarop die risico’s kunnen worden gemitigeerd;
- b) activiteiten en interne processen voor het beheer van operationele risico’s, waaronder het IT-systeem ter ondersteuning van die activiteiten en interne processen;
- c) risicotolerantielimieten voor de belangrijkste operationele risicogebieden van de onderneming.
-
1.57 De onderneming moet over processen voor het vaststellen, analyseren en rapporteren van voorvallen met een operationele risicocomponent beschikken. Daarvoor moet de onderneming een proces inrichten voor het registreren en monitoren van dergelijke voorvallen met een operationele risicocomponent.
-
1.58 De onderneming moet voor het beheer van operationele risico’s een geschikt aantal stress-scenario’s ontwikkelen en analyseren. Deze stress-scenario’s zijn ten minste gebaseerd op de volgende benaderingen:
- a) het falen van een sleutelproces, of het wegvallen van sleutelpersoneel of een sleutelfunctie;
- b) het optreden van onvoorziene externe gebeurtenissen.
Richtsnoer 22 - Herverzekering en andere risicolimiteringstechnieken – riskmanagementbeleidslijn
- 1.59 De onderneming moet in haar riskmanagementbeleidslijn ten aanzien van herverzekering en andere risicolimiteringstechnieken ten minste het volgende opnemen:
- a) het vaststellen van het niveau van risico-overdracht dat gezien de vastgestelde risicolimieten van de onderneming passend is en het soort herverzekeringsovereenkomsten dat gezien het risicoprofiel van de onderneming het meest geschikt is;
- b) de beginselen voor de selectie van bij dergelijke risicolimiteringstechnieken betrokken partijen en procedures voor het beoordelen en monitoren van de kredietwaardigheid en diversificatie van die partijen;
- c) de procedures voor het beoordelen van een effectieve risico-overdracht en de wijze waarop rekening wordt gehouden met het basisrisico;
- d) liquiditeitsbeheer om elke timing mismatch tussen betalingen van schaden en schadevergoedingen uit hoofde van herverzekering te verhelpen.
Richtsnoer 23 - Strategisch en reputatierisico
- 1.60 De onderneming beheert, houdt toezicht op en brengt verslag uit over de volgende situaties:
- a) feitelijke of mogelijke blootstelling aan reputatie- en strategische risico’s en de onderlinge relatie tussen deze risico’s en andere materiële risico’s;
- b) belangrijke kwesties die haar reputatie, gezien de verwachtingen van belanghebbenden en de gevoeligheid van de markt, beïnvloeden.
Richtsnoer 24 – Beleidslijn met betrekking tot afgestemd beheer van activa en passiva
- 1.61 De onderneming moet in haar riskmanagementbeleidslijn ten aanzien van afgestemd beheer van activa en passiva (ALM, asset-liability management) ten minste het volgende opnemen:
- a) een beschrijving van de procedure voor het vaststellen en beoordelen van verschillende vormen van mismatch tussen activa en passiva, in ieder geval met betrekking tot voorwaarden en valuta’s;
- b) een beschrijving van de risicolimiteringstechnieken die worden gebruikt en het verwachte effect van relevante risicolimiteringstechnieken op het afgestemd beheer van activa en passiva;
- c) een beschrijving van bewust toegestane mismatches;
- d) een beschrijving van de methodologie die aan de stress- en scenariotests ten grondslag ligt en de frequentie waarmee deze tests moeten worden uitgevoerd.
Richtsnoer 25 – Beleidslijn met betrekking tot het beheer van het beleggingsrisico
- 1.62 De onderneming moet in haar riskmanagementbeleidslijn ten aanzien van beleggingen ten minste het volgende opnemen:
- a) het niveau van veiligheid, kwaliteit, liquiditeit, rendement en beschikbaarheid dat de onderneming voor de activaportefeuille als geheel nastreeft en hoe de onderneming voornemens is dit te bereiken;
- b) haar kwantitatieve limieten ten aanzien van activa en exposures, met inbegrip van exposures die niet op de balans zijn opgenomen, die moeten worden vastgesteld om de onderneming te helpen zeker te stellen dat zij het voor de portefeuille gewenste niveau van veiligheid, kwaliteit, liquiditeit, rendement en beschikbaarheid van de portefeuille bereikt;
- c) het niveau van beschikbaarheid dat de onderneming voor de activaportefeuille als geheel nastreeft en hoe de onderneming voornemens is dit te bereiken;
- d) in aanmerking nemen van de omgevingsfactoren op de financiële markt;
- e) de voorwaarden waaronder de onderneming activa als zekerheid kan stellen en activa kan uitlenen;
- f) de relatie tussen marktrisico en andere risico’s in ongunstige scenario’s;
- g) de procedure voor het adequaat waarderen en verifiëren van beleggingsactiva;
- h) de procedures voor het bewaken van de resultaten van de beleggingen en, voor zover nodig, het herzien van het beleid;
i) hoe ervoor wordt gezorgd dat de activa in het belang van verzekeringnemers en begunstigden worden geselecteerd.
Richtsnoer 26 – Beleidslijn met betrekking tot het beheer van het liquiditeitsrisico
- 1.63 De onderneming moet in haar riskmanagementbeleidslijn ten aanzien van liquiditeitsrisico ten minste het volgende opnemen:
- a) de procedure voor het vaststellen van het niveau van mismatch tussen inen uitgaande kasstromen met betrekking tot zowel activa als passiva, met inbegrip van de verwachte kasstromen uit hoofde van directe verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten, zoals vorderingen, voortijdige beëindigingen of afkopen;
- b) het in aanmerking nemen van de totale liquiditeitsbehoefte voor de korte en middellange termijn, met inbegrip van een passende liquiditeitsbuffer voor het opvangen van liquiditeitstekorten;
- c) het in aanmerking nemen van het niveau en de monitoring van liquide activa, met inbegrip van kwantificering van potentiële kosten en financiële verliezen die voortvloeien uit gedwongen verkoop;
- d) het vaststellen van alternatieve financieringsinstrumenten en de kosten daarvan;
- e) het in aanmerking nemen van het effect op de liquiditeitspositie van verwachte nieuwe activiteiten.
Afdeling 5: Het “prudent person”-beginsel en het governancesysteem Richtsnoer 27 - Beheer van beleggingsrisico’s
- 1.64 De onderneming moet zich niet volledig afhankelijk stellen van informatie van derde partijen, zoals financiële instellingen, vermogensbeheerders en rating agencies. De onderneming moet in het bijzonder een eigen reeks kernrisicoindicatoren, die aan haar riskmanagementbeleidslijn en haar ondernemingsstrategie aangepast zijn, ontwikkelen
- 1.65 Wanneer de onderneming beleggingsbeslissingen neemt, moet zij rekening houden met de aan beleggingen verbonden risico’s en er niet automatisch vanuit gaan dat de risico’s adequaat in de kapitaalvereisten inbegrepen zijn.
Richtsnoer 28 – Beoordeling van niet-routinematige beleggingsactiviteiten
1.66 Voorafgaand aan een belegging of beleggingsactiviteit met een nietroutinematig karakter, moet de onderneming ten minste het volgende beoordelen:
- a) het vermogen van de onderneming tot het doen van de belegging of het uitvoeren van de beleggingsactiviteit en tot het voeren van het beheer hierover;
- b) de risico’s die specifiek met de belegging of beleggingsactiviteit zijn verbonden en het effect van de belegging of beleggingsactiviteit op het risicoprofiel van de onderneming;
- c) de afstemming van de belegging of beleggingsactiviteit op de belangen van begunstigden en verzekeringnemers, met door de onderneming gestelde beperkingen ten aanzien van de verplichtingen die kunnen worden aangegaan en met efficiënt portefeuillebeheer;
- d) het effect van de belegging of beleggingsactiviteit op de kwaliteit, de veiligheid, de liquiditeit, het rendement en de beschikbaarheid van de portefeuille als geheel.
- 1.67 De onderneming moet volgens procedures werken die vereisen dat in het geval dat de belegging of beleggingsactiviteit een aanmerkelijk risico met zich meebrengt of tot een verandering van het risicoprofiel leidt, de risicomanagementfunctie van de onderneming het AMSB van de onderneming van dat risico of die verandering van het risicoprofiel in kennis stelt.
Richtsnoer 29 – Veiligheid, kwaliteit, liquiditeit en rendement van de beleggingsportefeuilles
-
1.68 De onderneming moet regelmatig beoordelen en toezicht houden op de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel door ten minste te kijken naar:
- a) eventuele beperkingen die voortvloeien uit verplichtingen, met inbegrip van garanties van verzekeringnemers, en eventueel openbaar gemaakt beleid inzake toekomstige discretionaire uitkeringen en, in voorkomend geval, redelijke verwachtingen van verzekeringnemers;
- b) het niveau en de aard van risico’s die een onderneming bereid is te aanvaarden;
- c) de mate van diversificatie van de portefeuille als geheel;
- d) de kenmerken van de activa, zoals:
- (i) kredietkwaliteit van tegenpartijen;
- (ii) liquiditeit:
- (iii) de vraag of de activa materieel of immaterieel zijn;
- (iv) duurzaamheid;
- (v) bestaan en kwaliteit van zekerheden of andere activa die de activa dekken;
- (vi) ‘gearing’ of bezwaringen;
- (vii) tranches.
-
e) gebeurtenissen die de kenmerken van de beleggingen, waaronder eventuele garanties, mogelijk kunnen veranderen of die de waarde van de activa kunnen beïnvloeden;
-
f) kwesties betreffende de lokalisatie en beschikbaarheid van de activa, zoals:
- (i) niet-overdraagbaarheid;
- (ii) juridische kwesties in andere landen;
- (iii) valutamaatregelen;
- (iv) risico van de bewaarnemer;
- (v) extra zekerheidsstelling en kredietverstrekking.
Richtsnoer 30 – Winstgevendheid
1.69 De onderneming moet doelen vaststellen voor de rendementen die zij op haar beleggingen wil behalen, daarbij rekening houdend met de noodzaak een duurzame opbrengst op de activaportefeuilles te verkrijgen om aan redelijke verwachtingen van verzekeringnemers te beantwoorden.
Richtsnoer 31- Belangenconflicten
1.70 De onderneming moet in haar beleggingsbeleid beschrijven hoe zij eventuele belangenconflicten die met betrekking tot beleggingen kunnen ontstaan, vaststelt en beheert, ongeacht of zij ontstaan in de onderneming of in de entiteit die de activaportefeuille beheert. Zij moet ook de acties die zijn genomen om dergelijke conflicten te beheren documenteren.
Richtsnoer 32 – Fractieverzekeringen en aan een index gekoppelde verzekeringen
- 1.71 Beleggingen van de onderneming uit hoofde van haar fractieverzekeringen en aan een index gekoppelde verzekeringen moeten worden geselecteerd in het belang van de verzekeringnemers en begunstigden, daarbij rekening houdend met alle bekendgemaakte beleidsdoelstellingen.
- 1.72 Bij fractieverzekeringsactiviteiten moet de onderneming de beperkingen, met name de liquiditeitsbeperkingen, die verband houden met fractieverzekeringen in aanmerking nemen en beheren.
Richtsnoer 33 – Activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt
1.73 De onderneming moet procedures ten uitvoer leggen, beheren, bewaken en controleren voor beleggingen die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, als ook voor complexe producten die moeilijk te waarderen zijn.
1.74 Activa toegelaten tot de handel, maar waarin niet of op een onregelmatige basis wordt gehandeld, moeten door de onderneming op dezelfde manier behandelt worden als activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt.
Richtsnoer 34 – Afgeleide instrumenten
- 1.75 Wanneer de onderneming gebruikmaakt van afgeleide instrumenten, moet zij in overeenstemming met haar riskmanagementbeleidslijn ten aanzien van beleggingen, procedures ten uitvoer leggen teneinde toezicht uit te oefenen op de resultaten van deze afgeleide instrumenten.
- 1.76 In het geval de onderneming afgeleide instrumenten gebruikt om een doeltreffend portefeuillebeheer te bevorderen, moet zij aantonen hoe zij de kwaliteit, de veiligheid, de liquiditeit of het rendement van de portefeuille verbetert zonder dat dit een significante negatieve invloed heeft op deze aspecten.
- 1.77 Indien afgeleide instrumenten worden gebruikt om risico’s te verminderen dan wel indien deze als risicolimiteringstechniek worden gebruikt, moet de onderneming de redenen voor het gebruik van afgeleide instrumenten documenteren en aantonen dat er daadwerkelijk sprake is van een effectieve risico-overdracht.
Richtsnoer 35 - Gesecuritiseerde instrumenten
1.78 Indien de onderneming in gesecuritiseerde instrumenten belegt, moet zij een goed inzicht hebben in haar eigen belangen en in de belangen van de initiator of sponsor ten aanzien van die gesecuritiseerde instrumenten en dat die belangen adequaat op elkaar aansluiten.
Afdeling 6: Eisen aan het eigen vermogen en het governancesysteem Richtsnoer 36 – Kapitaalbeheerbeleid
-
1.79 De onderneming moet een kapitaalbeheerbeleid ontwikkelen dat een beschrijving omvat van de procedures om:
- a) te waarborgen dat eigenvermogensbestanddelen, zowel bij plaatsing als daarna, worden ingedeeld aan de hand van de elementen die worden genoemd in de artikelen 71, 73, 75 en 77 van Gedelegeerde Verordening 2015/35 van de Commissie;
- b) voor iedere tier apart toezicht te houden op de uitgifte van eigenvermogensbestanddelen volgens het kapitaalbeheersplan op middellange termijn, en er vóór uitgifte van eventuele eigenvermogensbestanddelen voor te zorgen dat doorlopend kan worden voldaan aan de criteria voor de juiste tier;
- c) erop toe te zien dat eigenvermogensbestanddelen niet bezwaard worden door eventueel bestaande overeenkomsten of samenhangende transacties,
-
of ten gevolge van een groepsstructuur, die hun doeltreffendheid als kapitaal zou ondermijnen;
-
d) ervoor te zorgen dat de acties die vereist of toegestaan zijn krachtens contractuele, wettelijke of juridische bepalingen die van toepassing zijn op een eigenvermogensbestanddeel, tijdig worden geïnitieerd en afgerond;
-
e) ervoor te zorgen dat, indien nodig, aanvullendvermogensbestanddelen tijdig kunnen worden opgevraagd en ook daadwerkelijk worden opgevraagd;
-
f) regelingen, wetgeving of producten vast te stellen en te documenteren die aanleiding geven tot afgezonderde fondsen, en te waarborgen dat passende berekeningen en aanpassingen in de vaststelling van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het eigen vermogen worden gemaakt;
-
g) ervoor te zorgen dat de contractuele voorwaarden voor eigenvermogensbestanddelen helder en eenduidig zijn voor wat betreft de criteria voor indeling in tiers;
-
h) te waarborgen dat volledig rekening wordt gehouden met enig beleid of verklaring inzake gewone dividenden met het oog op de kapitaalpositie en de beoordeling van de te verwachten dividenden;
-
i) vast te stellen en te documenteren in welke gevallen uitkeringen op basis van tier 1-eigenvermogensbestanddelen op discretionaire basis zouden kunnen worden geschrapt;
-
j) vast te stellen, te documenteren en af te dwingen in welke gevallen uitkeringen op basis van een eigenvermogensbestanddeel moeten worden uitgesteld of geschrapt overeenkomstig artikel 71, lid 1, onder l), en artikel 73, lid 1, onder g) van Gedelegeerde Verordening 2015/35 van de Commissie;
-
k) vast te stellen in welke mate de onderneming vertrouwt op eigenvermogensbestanddelen die vallen onder overgangsmaatregelen;
-
l) te waarborgen dat de manier waarop bestanddelen die onder de overgangsmaatregelen tot het eigen vermogen behoren, zich gedragen tijdens een stresssituatie, en met name de manier waarop de bestanddelen verliezen compenseren, wordt beoordeeld en, indien nodig, in de ORSA in aanmerking wordt genomen.
Richtsnoer 37 – Kapitaalbeheerplan voor de middellange termijn
-
1.80 De onderneming moet een kapitaalbeheerplan voor de middellange termijn waarop toezicht wordt uitgeoefend door het ASMB en waarin ten minste de volgende aspecten in overweging worden genomen, ontwikkelen:
- a) alle geplande kapitaalemissies;
- b) de looptijd van de eigenvermogensbestanddelen van de onderneming, waarbij zowel rekening wordt gehouden met de contractuele looptijd
-
alsmede met eventuele mogelijkheden voor een vervroegde terugbetaling of aflossing;
-
c) de resultaten van eigenvermogensbestandelen gemaakt in ORSA;
-
d) de wijze waarop een emissie, aflossing of terugbetaling dan wel enige andere variatie in de waardering van een eigenvermogensbestanddeel van invloed is op de toepassing van beperkingen op tiers;
-
e) de toepassing van het uitkeringsbeleid en de uitwerking op eigenvermogensbestandelen ;
-
f) de impact van het einde van de transitie periode.
Afdeling 7: Interne controles
Richtsnoer 38 –Internecontroleomgeving
- 1.81 De onderneming moet het belang van het uitvoeren van adequate interne controles bevorderen door ervoor te zorgen dat alle medewerkers zich bewust zijn van hun rol binnen het internecontrolesysteem. De controleactiviteiten moeten afgestemd zijn op de risico’s die voortvloeien uit de te controleren activiteiten en processen.
- 1.82 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten voor een consequente tenuitvoerlegging van de interne controlesystemen binnen de gehele groep zorgen.
Richtsnoer 39– Monitoring en rapportage
1.83 De onderneming moet monitorings- en rapportagemechanismen binnen het internecontrolesysteem oprichten en het ASMB voorzien van alle relevante informatie die noodzakelijk is voor het besluitvormingsproces.
Afdeling 8: Interne auditfunctie
Richtsnoer 40 – Onafhankelijkheid van de interne auditfunctie
- 1.84 De onderneming moer ervoor zorgen dat de interne-auditfunctie geen operationele functies uitvoert en vrij is van ongepaste beïnvloeding door enige andere functie, met inbegrip van sleutelfuncties.
- 1.85 De onderneming moet ervoor zorgen dat de interne auditfunctie, bij het uitvoeren van een audit en bij het evalueren van en het rapporteren over de auditresultaten, niet beïnvloed wordt door het ASMB dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die interne auditfunctie kunnen beperken.
Richtsnoer 41 – Belangenconflicten in de interne-auditfunctie
1.86 De onderneming moet passende maatregelen nemen om het risico van een belangenconflict te beperken.
1.87 De onderneming moet daarom ervoor zorgen dat intern geworven auditors geen activiteiten of functies controleren die zij eerder, in het tijdskader dat de audit bestrijkt, hebben uitgevoerd.
Richtsnoer 42– Interne auditbeleidslijn
- 1.88 De onderneming moet over een beleidslijn voor interne audit beschikken die ten minste de volgende gebieden bestrijken:
- a) de voorwaarden waaronder de interneauditfunctie om advies of ondersteuning verzocht kan worden dan wel verzocht kan worden om andere speciale taken te verrichten;
- b) indien toepasselijk, interne regels waarin de procedures worden beschreven die de persoon die verantwoordelijk is voor de interneauditfunctie moet volgen voordat hij de toezichthoudende autoriteit informatie verstrekt;
- c) indien toepasselijk, de criteria voor het rouleren van de taken van het personeel.
- 1.89 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten waarborgen dat de auditbeleidslijn op het niveau van de groep beschrijft hoe de interneauditfunctie:
- a) de interneauditactiviteiten binnen de hele groep coördineert;
- b) de naleving van de interneauditvereisten op groepsniveau waarborgt.
Richtsnoer 43 – Interne-auditplan
- 1.90 De onderneming moet ervoor zorgen dat het interne-auditplan:
- a) wordt gebaseerd op een methodische risicoanalyse, waarbij rekening wordt gehouden met alle activiteiten en het volledige governancesysteem, evenals met verwachte ontwikkelingen van activiteiten en innovaties;
- b) alle belangrijke activiteiten omvat die binnen een redelijke termijn moeten worden gecontroleerd.
Richtsnoer 44 – Interne-auditdocumentatie
1.91 De onderneming moet een overzicht van haar werk houden teneinde een beoordeling van de effectiviteit van het werk van de interne-auditfunctie mogelijk te maken, en de audits zodanig te documenteren dat de verrichte audits en de uitkomsten daarvan kunnen worden herleid.
Richtsnoer 45 – Taken van de interne-auditfunctie
1.92 De onderneming moet eisen dat de interne-auditfunctie in het verslag aan het AMSB de termijn aangeeft die naar verwachting nodig is om de tekortkomingen weg te werken, evenals informatie over de uitvoering van eerdere auditaanbevelingen.
Afdeling 9: Actuariële functie
Richtsnoer 46 – Taken van de actuariële functie
- 1.93 De onderneming moet passende maatregelen nemen om potentiële belangenconflicten aan te pakken indien de onderneming besluit om aanvullende taken of activiteiten toe te voegen aan de taken en activiteiten van de actuariële functie.
- 1.94 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten verlangen dat de actuariële functie advies geeft over het herverzekeringsbeleid en het herverzekeringsprogramma voor de groep als geheel.
Richtsnoer 47 - Coördinatie van de berekening van de technische voorzieningen
- 1.95 De onderneming moet vereisen dat de actuariële functie alle strijdigheden met de vereisten als neergelegd in de artikelen 76 tot en met 83 van Solvabiliteit II betreffende de berekening van de technische voorzieningen identificeert en dat de actuariële functie, waar nodig, corrigerende maatregelen voorstelt.
- 1.96 De onderneming moet verlangen dat de actuariële functie een eventueel materieel effect van veranderingen in gegevens, methodologieën of aannames tussen waarderingsdata op de hoeveelheid technische voorzieningen verklaart.
Richtsnoer 48 – Gegevenskwaliteit
1.97 De onderneming moet vereisen dat de actuariële functie de consistentie beoordeelt tussen enerzijds de interne en externe gegevens die bij de berekening van de technische voorzieningen worden gebruikt en anderzijds de normen voor de gegevenskwaliteit als neergelegd in Solvabiliteit II. Indien van toepassing doet de actuariële functie aanbevelingen over interne procedures om de gegevenskwaliteit te verbeteren, teneinde te waarborgen dat de onderneming in een positie verkeert aan de desbetreffende Solvabiliteit IIvereiste te voldoen.
Richtsnoer 49 – Toetsing aan praktijkervaringen
1.98 De onderneming moet ervoor zorgen dat de actuariële functie volgens de beste schatting aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan verslag uitbrengt van eventuele materiële afwijkingen van de feitelijke ervaring. In het rapport worden de oorzaken van de afwijkingen in kaart gebracht en, waar van toepassing, voorstellen gedaan voor aanpassing van de aannames en wijzigingen van het waarderingsmodel teneinde de berekening van de beste schattingen te verbeteren.
Richtsnoer 50 – Beleidslijn voor het aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en herverzekeringsregelingen
1.99 De onderneming moet vereisen dat de actuariële functie, wanneer deze zijn advies over de beleidslijn voor het aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en herverzekeringsregelingen uitbrengt, daarbij de onderlinge verbanden in aanmerking neemt tussen deze en de technische voorzieningen.
Richtsnoer 51 – De actuariële functie van een onderneming die zich in het proces van pre-applicatie voor het gebruik van een intern model bevindt
1.100 De onderneming moet vereisen dat de actuariële functie een bijdrage levert aan het specificeren van risico’s, die onder zijn expertise gebied vallen, onderdeel zijn van het interne model. De actuariële functie moet ook bijdragen aan de wijze waarop de onderlinge afhankelijkheid tussen risico’s en onderlinge afhankelijkheden tussen deze risico’s en andere risico’s worden afgeleid. Deze bijdrage is op een technische analyse gebaseerd en moet de ervaring en expertise van de actuariële functie weerspiegelen.
Afdeling 10: Waardering van andere activa en passiva dan technische voorzieningen
Richtsnoer 52 - Waardering van andere activa en passiva dan technische voorzieningen
- 1.101 In haar beleid en procedures voor de waardering van activa en passiva moet de onderneming ten minste het volgende opnemen:
- a) de methode en criteria die moeten worden gebruikt voor de beoordeling van actieve en niet-actieve markten;
- b) de vereisten om adequate documentatie van het waarderingsproces en van de bijbehorende controlemiddelen, te waarborgen, waaronder die voor gegevenskwaliteit;
- c) de vereisten met betrekking tot de documentatie van de gehanteerde waarderingsbenaderingen voor wat betreft:
- (i) hun opzet en de manier waarop ze ten uitvoer worden gelegd;
- (ii) de deugdelijkheid van gegevens, parameters en aannames;
- d) het proces voor onafhankelijke evaluatie en verificatie van de waarderingsbenaderingen;
- e) de vereisten voor de periodieke rapportage aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan over zaken die van belang zijn voor haar governance op het gebied van waardering.
Richtsnoer 53 – Procedures met het oog op kwaliteitscontrole van gegevens
1.102 De onderneming moet procedures invoeren voor de kwaliteitscontrole van gegevens om tekortkomingen vast te stellen en om de gegevenskwaliteit te meten, monitoren, beheren en documenteren. Deze procedures hebben onder meer betrekking op:
- a) de volledigheid van gegevens;
- b) de adequaatheid van gegevens, uit zowel interne als externe bronnen;
- c) onafhankelijke evaluatie en verificatie van gegevenskwaliteit.
- 1.103 Het beleid en de procedures die de onderneming invoert, moeten zich richten op de noodzaak marktgegevens en inputs periodiek tegen alternatieve bronnen en ervaringen aan te houden.
Richtsnoer 54 – Documentatie bij gebruik van alternatieve waarderingsmethoden
- 1.104 Wanneer alternatieve waarderingsmethoden worden gebruikt, moet de onderneming hetvolgende documenteren:
- a) een beschrijving van de methode, het doel, de voornaamste aannames, de beperkingen en de output;
- b) de omstandigheden waaronder de methode niet doeltreffend zou zijn;
- c) een beschrijving en analyse van het waarderingsproces, en de controlemiddelen die aan de methode gekoppeld zijn;
- d) een analyse van de waarderingsonzekerheid die de methode met zich meebrengt;
- e) een beschrijving van de procedures om resultaten achteraf te testen en, waar mogelijk, een vergelijking met vergelijkbare modellen of andere benchmarks, die wordt uitgevoerd wanneer de waarderingsmethode wordt geïntroduceerd en daarna op periodieke basis;
- f) een beschrijving van de gebruikte instrumenten of programma’s.
Richtsnoer 55 - Onafhankelijke evaluatie en verificatie van waarderingsmethoden
- 1.105 De onderneming moet ervoor zorgen dat een onafhankelijke evaluatie van de waarderingsmethode, overeenkomstig artikel 267, lid 4, onder b), van Gedelegeerde Verordening 2015/35 van de Commissie, plaatsvindt vóór de invoering van een nieuwe methode of een belangrijke wijziging, en daarna op gezette tijden.
- 1.106 De onderneming moet de frequentie van de evaluatie vaststellen overeenkomstig het belang van de methode voor de besluitvormings- en risicomanagementprocessen.
- 1.107 De onderneming moet dezelfde beginselen toepassen bij de onafhankelijke evaluatie en verificatie van zowel intern ontwikkelde waarderingsmethoden of modellen als van door derden verstrekte waarderingsmethoden of -modellen.
1.108 De onderneming moet beschikken over processen om de resultaten van de onafhankelijke evaluatie en verificatie, evenals de aanbevelingen voor corrigerende maatregelen te rapporteren aan het juiste managementniveau van de onderneming.
Richtsnoer 56 - Toezicht door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan en andere personen die de onderneming daadwerkelijk besturen
1.109 Het AMSB en andere personen die de onderneming daadwerkelijk besturen moeten kunnen aantonen dat zij een zodanig algemeen inzicht in de waarderingsbenaderingen en in de aan het waarderingsproces verbonden onzekerheden hebben, dat zij naar behoren toezicht kunnen houden op het risicomanagementproces inzake waardering.
Richtsnoer 57 – Verzoek van de toezichthoudende autoriteit aan de onderneming om een externe onafhankelijke waardering of verificatie
1.110 De toezichthoudende autoriteit moet in ieder geval overwegen een onafhankelijke waardering of verificatie van de onderneming te verlangen wanneer er een risico is van een onjuiste opgave bij de waardering van activa of passiva van materieel belang, met mogelijk materiële gevolgen voor de solvabiliteitssituatie van de onderneming.
Richtsnoer 58 – Onafhankelijkheid van de externe deskundige
1.111 De onderneming moet aan de toezichthoudende autoriteit aantonen kunnen dat de externe waardering of verificatie is uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen met de relevante professionele competentie, gepaste zorgvuldigheid en relevante ervaring.
1.101Richtsnoer 59 – Aan de toezichthoudende autoriteit te verstrekken informatie over de externe waardering of verificatie
1.112 De onderneming moet aan de toezichthoudende autoriteit op diens verzoek alle relevante informatie over externe waardering of verificatie verstrekken. De onderneming moet in deze informatie in ieder geval het schriftelijke advies van de deskundigen ten aanzien van de waardering van het relevante actief of passief, beschrijven.
Afdeling 11: Uitbesteding
Richtsnoer 60 – Kritieke of belangrijke operationele functies of activiteiten
1.113 De onderneming moet vaststellen of,en documenteren dat, een uitbestede functie of activiteit een kritieke of belangrijke functie of activiteit is. Dit dient te geschieden aan de hand van de vraag of de betreffende functie of activiteit van essentieel belang is voor de bedrijfsvoering van de onderneming in de zin dat de onderneming zonder deze functie of activiteit niet in staat zou zijn om haar diensten aan de verzekeringnemers te verlenen.
Richtsnoer 61 – Aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen
1.114 De onderneming moet ervoor zorgen dat de activiteiten van een tussenpersoon die geen werknemer van de onderneming is en die gemachtigd is om namens en voor rekening van onderneming verzekeringen af te sluiten en schaden uit te keren, voldoen aan de uitbestedingsvereisten.
Richtsnoer 62 – Uitbesteding binnen een groep
1.115 Indien kritieke of belangrijke functies of activiteiten binnen de groep worden uitbesteed, moeten de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding documenteren welke functies verband houden met welke rechtspersoon. Daarnaast moet die entiteit waarborgen dat door dergelijke regelingen geen afbreuk wordt gedaan aan de uitvoering van die kritieke of belangrijke functies of activiteiten op het niveau van de onderneming.
Richtsnoer 63 – Schriftelijke beleidslijn inzake uitbesteding
- 1.116 De onderneming die activiteiten of functies uitbesteedt of die voornemens is om dat te gaan doen, moet in haar beleidslijn inzake uitbesteding de aanpak en processen die van toepassing zijn op de uitbesteding bestrijken en wel gedurende de volledige looptijd van de betreffende overeenkomst. In dat beleid moet met name aandacht worden besteed aan de volgende aspecten:
- a) het proces ter bepaling of een functie of activiteit een kritieke of belangrijke functie of activiteit is;
- b) de wijze waarop een dienstverlener van een adequaat kwaliteitsniveau wordt geselecteerd en hoe en met welke frequentie de prestaties en resultaten van de dienstverlener worden beoordeeld;
- c) de gegevens die in de schriftelijke overeenkomst met de dienstverlener moeten worden opgenomen, rekening houdend met de eisen die in Gedelegeerde Verordening 2015/35 van de Commissie worden gesteld;
- d) noodplannen met het oog op de continuïteit van de bedrijfsvoering, met inbegrip van exit-strategieën voor uitbestede kritieke of belangrijke functies of activiteiten.
Richtsnoer 64 - Schriftelijke kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteit
1.117 De onderneming moet in haar schriftelijke kennisgeving van een uitbesteding van kritieke of belangrijke functies of activiteiten aan de toezichthoudende autoriteit een beschrijving van de reikwijdte en de redenen voor de uitbesteding en de naam van de dienstverlener opnemen. Wanneer de uitbesteding een sleutelfunctie betreft, moet de informatie ook de naam van de persoon die bij de dienstverlener de leiding heeft over de uitbestede functie of activiteiten bevatten.
Afdeling 12: Specifieke governancevereisten op groepsniveau
Richtsnoer 65 – Verantwoordelijkheden voor het vaststellen van interne governancevereisten
- 1.118 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten adequate interne governancevereisten voor de gehele groep vaststellen, die afgestemd zijn op de structuur, de activiteiten en de risico’s van de groep en de daarmee verbonden entiteiten. De onderneming moet daarbij rekening houden met een passende structuur en organisatie voor het riskmanagement op groepsniveau en met een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden tussen alle entiteiten van de groep.
- 1.119 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten bij het inrichten van hun eigen governancesysteem geen afbreuk doen aan de verantwoordelijkheden van het AMSB van elke entiteit binnen de groep.
Richtsnoer 66 – Governancesysteem op groepsniveau
- 1.120 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten:
- a) over passende en effectieve instrumenten, procedures en verantwoordelijkheids- en verantwoordingslijnen beschikken om toezicht te houden op het functioneren van het riskmanagementsysteem en het systeem voor interne controle op individueel niveau en deze aan te sturen;
- b) binnen de groep over rapportagelijnen en effectieve systemen beschikken om adequate informatiestromen binnen de groep van boven naar beneden (’top-down’) en vice versa te waarborgen;
- c) alle entiteiten binnen de groep informeren over de instrumenten die gebruikt worden om alle risico’s waaraan de groep wordt blootgesteld te onderkennen, te meten, te beheren, te bewaken en te rapporteren, en die entiteiten voorzien van de noodzakelijke documentatie hieromtrent;
- d) rekening houden met de belangen van alle entiteiten die deel uitmaken van de groep en met de wijze waarop deze belangen een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke doelstelling op lange termijn van de groep als geheel.
Richtsnoer 67 – Risico’s met een significant effect op groepsniveau
1.121 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten in hun riskmanagementsysteem de risico’s op zowel individueel als groepsniveau in aanmerking nemen, evenals de onderlinge afhankelijkheden, in het bijzonder:
- a) het reputatierisico en de risico’s die voortvloeien uit intragroeptransacties en risicoconcentraties, met inbegrip van het besmettingsrisico, op groepsniveau;
- b) de onderlinge afhankelijkheden tussen risico’s die voortvloeien uit het verrichten van activiteiten via verschillende entiteiten en in uiteenlopende jurisdicties;
- c) de risico’s die voortvloeien uit entiteiten in derde landen;
- d) de risico’s die voortvloeien uit niet-gereglementeerde entiteiten;
- e) de risicos die voortvloeien uit andere gereglementeerde entiteiten.
Richtlijn 68 – Risicoconcentraties op groepsniveau
1.122 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten ervoor zorgen dat er processen en procedures zijn voor het detecteren, meten, beheren, monitoren en rapporteren van risicoconcentraties.
Richtsnoer 69 – Intragroeptransacties
1.123 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten ervoor zorgen dat het risicomanagementsysteem van de groep en de afzonderlijke ondernemingen processen en rapportageprocedures bevat voor het detecteren, meten, monitoren, beheren en rapporteren van intragroeptransacties, met inbegrip van significante en zeer significante intragroeptransacties als bedoeld in Solvabiliteit II.
Richtsnoer 70 – Riskmanagement op groepsniveau
- 1.124 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten via hun riskmanagement op het niveau van de groep door middel van adequate processen en procedures ondersteuning bieden om de risico’s waaraan de groep, dan wel elke afzonderlijke entiteit, blootgesteld wordt of blootgesteld kan worden, te onderkennen, te meten, te beheren, te bewaken en te rapporteren.
- 1.125 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding moeten waarborgen dat de structuur en de organisatie van het riskmanagement van de groep als geheel geen afbreuk doen aan de wettelijke bevoegdheid van de onderneming om aan haar wettelijke, reglementaire en contractuele verplichtingen te voldoen.
Nalevings- en rapportageregels
- 1.126 Dit document bevat richtsnoeren die zijn uitgebracht uit hoofde van artikel 16 van de Eiopa-verordening. Ingevolge artikel 16, lid 3, van de Eiopa-verordening moeten bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste inspannen om de richtsnoeren en aanbevelingen na te leven.
- 1.127 Bevoegde autoriteiten die voldoen of van plan zijn te voldoen aan deze richtsnoeren, dienen deze op een passende manier op te nemen in hun wetgevende of toezichthoudende kader.
- 1.128 Bevoegde autoriteiten bevestigen Eiopa binnen twee maanden na publicatie van de vertaalde versies of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn hieraan te voldoen, of geven anders redenen voor niet-naleving op.
- 1.129 Indien op deze uiterste datum geen antwoord is ontvangen, zullen de bevoegde autoriteiten worden beschouwd als autoriteiten die niet voldoen aan de rapportageverplichtingen, en als zodanig worden geregistreerd.
Slotbepaling inzake herzieningen
1.130 Deze richtsnoeren kunnen door Eiopa worden herzien.