Richtsnoeren voor het basisrisico
Download PDFEIOPA-BoS-14/172 NL
Richtsnoeren voor het basisrisico
Inleiding
- 1.1. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (hierna “de Eiopa-verordening” genoemd)1 stelt Eiopa richtsnoeren voor het basisrisico op.
- 1.2. De richtsnoeren hebben betrekking op de artikelen 104 en 105 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (hierna “Solvabiliteit II” genoemd)2 .
- 1.3. Deze richtsnoeren zijn gericht tot toezichthoudende autoriteiten in het kader van Solvabiliteit II.
- 1.4. Deze richtsnoeren hebben tot doel de convergentie van praktijken tussen de lidstaten te vergemakkelijken en ondernemingen te ondersteunen bij het berekenen van hun kapitaalvereiste voor het marktrisico in het kader van Solvabiliteit II.
- 1.5. Deze richtsnoeren hebben betrekking op ondernemingen en professionals die verantwoordelijk zijn voor het toepassen van risicolimiteringstechnieken bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste met behulp van de standaardformule.
- 1.6. Het doel is de samenhang en convergentie van de beroepspraktijk te vergroten met betrekking tot het toepassen van risicolimiteringstechnieken bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste voor alle ondernemingen, ongeacht type of omvang.
- 1.7. Indien begrippen niet in deze richtsnoeren worden gedefinieerd, hebben zij de betekenis zoals vastgelegd in de rechtshandelingen waarnaar in de inleiding wordt verwezen.
- 1.8. De richtsnoeren zijn van toepassing vanaf 1 april 2015.
Richtsnoer 1 – Risicolimiteringstechnieken zonder materieel basisrisico
- 1.9. Ondernemingen nemen in aanmerking dat een risicolimiteringstechniek niet leidt tot materieel basisrisico wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- (a) de blootstelling waarop de risicolimiteringstechniek wordt toegepast, is wat aard betreft voldoende vergelijkbaar met de risicoblootstelling van de onderneming;
- (b) de waardeveranderingen van de blootstelling waarop de risicolimiteringstechniek wordt toegepast vormen een nauwgezette weerspiegeling van de waardeveranderingen van de risicoblootstelling van de onderneming in het kader van een uitgebreide reeks
1 PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48-83.
2 PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1-155.
risicoscenario’s, met inbegrip van scenario’s die aansluiten bij de in artikel 101, lid 3, van Solvabiliteit II genoemde betrouwbaarheidsgraad.
Richtsnoer 2 – Financiële risicolimiteringstechnieken: beoordelingscriteria voor materieel basisrisico
- 1.10. Alvorens de financiële risicolimiteringstechnieken te gebruiken voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste met de standaardformule, beoordelen ondernemingen onder meer:
- (a) de materialiteit van het basisrisico met betrekking tot de blootstelling waarop de risicolimiteringstechniek wordt toegepast en de risicoblootstelling van de onderneming, zonder rekening te houden met balansposten, tenzij er sprake is van een voortdurende en consequente verbinding tussen andere balansposten en de risicoblootstelling van de onderneming;
- (b) de vergelijkbare aard van de blootstellingen als bedoeld in richtsnoer 1, waarbij minstens rekening moet worden gehouden met het type en de voorwaarden en omstandigheden van de betrokken instrumenten of regelingen en de regels voor de markten waar hun prijzen genoteerd zijn of waar de gegevens voor hun waardering worden verstrekt;
- (c) de waardeveranderingen van de blootstellingen in een uitgebreide reeks risicoscenario’s als bedoeld in richtsnoer 1, die alle in de desbetreffende modules of ondermodules van de standaardformule overwogen scenario’s omvatten, waarbij minimaal rekening wordt gehouden met:
- (i) de mate van symmetrie tussen de beide blootstellingen;
- (ii) niet-lineaire afhankelijkheden volgens het scenario;
- (iii) de relevante asymmetrie in de gedragingen in het geval van ondermodules voor risico’s bij zowel opwaartse als neerwaartse spanningen worden toegepast;
- (iv) de diversificatieniveaus van de verschillende blootstellingen;
- (v) relevante risico’s die niet expliciet in de standaardformule zijn vastgelegd;
- (vi) alle uitbetalingen met betrekking tot de toegepaste risicolimiteringstechniek.
- 1.11. De risicolimiteringstechniek wordt geacht te resulteren in materieel basisrisico wanneer bovenstaande beoordeling niet voldoende bewijsmateriaal levert dat de waardeveranderingen van de blootstelling waarop de risicolimiteringstechniek wordt toegepast alle materiële waardeveranderingen van de risicoblootstelling van de onderneming weerspiegelen.
- 1.12. Wanneer de voorwaarden van een risicolimiteringstechniek een plafond bepalen voor de maximale bescherming van verlies als percentage van de eerste blootstelling, passen ondernemingen de beoordeling alleen toe op het deel
waarvoor de risicolimiteringstechniek wordt gehanteerd wanneer ze onderzoeken of het basisrisico materieel is.
Richtsnoer 3 – Verzekeringsrisicolimiteringstechnieken zonder materieel basisrisico
- 1.13. Voordat ondernemingen bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste met de standaardformule een verzekeringsrisicolimiteringstechniek mogen toepassen, dienen ze vast te stellen of herverzekeringsovereenkomsten of specfieke regelingen zich door verschillen in voorwaarden anders in een uitgebreide reeks risicoscenario’s gedragen dan de verzekeringspolissen van de ondernemingen.
- 1.14. Door valutamismatch veroorzaakt basisrisico wordt door ondernemingen als substantieel beschouwd, wanneer de blootstelling waarop de risicolimiteringstechniek wordt toegepast in een andere valuta is uitgedrukt dan de risicoblootstelling van de onderneming, tenzij de betrokken valuta’s voldoende nauw gekoppeld zijn of de vastgestelde wisselkoers is opgenomen in de herverzekeringsovereenkomst.
- 1.15. Indien er sprake is van materieel basisrisico dat het gevolg is van een valutamismatch als bedoeld in punt 1.14, moeten ondernemingen voorkomen dat de risicolimiteringstechniek bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt toegepast, tenzij de bepalingen van artikel 86 van de uitvoeringsmaatregelen van toepassing zijn3 .
Nalevings- en rapportageregels
- 1.16. Dit document bevat richtsnoeren die zijn uitgebracht uit hoofde van artikel 16 van de Eiopa-verordening. Ingevolge artikel 16, lid 3, van de Eiopa-verordening moeten bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste inspannen om de richtsnoeren en aanbevelingen na te leven.
- 1.17. Bevoegde autoriteiten die voldoen of van plan zijn te voldoen aan deze richtsnoeren, dienen deze op een passende manier op te nemen in hun wetgevende of toezichthoudende kader.
- 1.18. Bevoegde autoriteiten bevestigen Eiopa binnen twee maanden na publicatie van de vertaalde versies of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn hieraan te voldoen, of geven anders redenen voor niet-naleving op.
- 1.19. Indien op deze uiterste datum geen antwoord is ontvangen, zullen de bevoegde autoriteiten worden beschouwd als autoriteiten die niet voldoen aan de rapportageverplichtingen, en als zodanig worden geregistreerd.
Slotbepaling inzake herzieningen
1.20. Deze richtsnoeren kunnen door Eiopa worden herzien.
3 PB L 12 van 17.01.2015, blz. 1-797.